Studeren

Een buitenlandse toerist staat vol bewondering te kijken naar het enorme gebouw van het ministerie van Veiligheid en Justitie en vraagt aan een voorbijganger hoeveel mensen daar werken. “Oh, ongeveer de helft”, is het antwoord. Aan dit oude grapje moet ik denken als ik lees dat er een nieuw record is gevestigd aan de Nederlandse universiteiten: nog nooit waren er zoveel mensen aan het studeren. Er staan momenteel maar liefst 258.054 studenten aan een universiteit ingeschreven.

Daar word ik niet vrolijk van.

Want wat is dat eigenlijk: studeren? En ik bedoel dat niet flauw. Het gaat mij niet om dat evidente verschil tussen ingeschreven staan en daadwerkelijk studeren. Het gaat mij om wat je doet als je studeert. Wat is dat voor een activiteit? En wat zou het moeten zijn? Ik ben bang dat de meeste studenten op deze vraag met antwoorden zullen komen die mij verdrietig stemmen.

Hoeveel zouden er zeggen dat ze kritisch leren denken, dat ze zich bekwamen in het volhardend aannemen van een onderzoekende houding? Hoeveel zouden er zeggen dat ze vooral gedreven worden door de vraag naar wat het betekent om iets te weten, naar het wat, hoe, waarom en het waartoe van dit weten? En hoeveel zouden dit rijtje aanvullen met de cruciale, maar o zo gemakkelijk over het hoofd geziene vraag naar het wie en vooral het wanneer van dit weten?

Want wat moeten we met al die kennis? Wie kan daar iets mee? En is het eigenlijk wel kennis? Van wie? Voor wie? En voor hoelang?

Ik begrijp het wel als weldenkende onderwijsmanagers vermoeid reageren op dit soort vragen. Echt iets voor een filosoof, zullen ze denken. De brede blik. En de obligate kritische instelling. Deze onderwijsmanagers hebben hun reactie klaar: een studie leidt op tot een startkwalificatie, een diploma. Dat diploma moet geborgd zijn in een opleiding waarin eindtermen gerealiseerd worden. Dat moeten toetsbare eindtermen zijn, want anders kun je niet controleren of iemand heeft geleerd wat de bedoeling was. Daarom verdwijnt het volhardend leren aannemen van een onderzoekende houding langzaam maar zeker uit iedere studie. Want niet toetsbaar. Waarmee studeren wat mij betreft ophoudt studeren te zijn.

Kan ik deze boude stelling onderbouwen?

Ik zal het met een voorbeeld proberen. Van het weekend konden wij in de krant lezen dat een natuurwandeling helpt bij psychisch herstel. Het artikel leek een kritische weg in te slaan. Ging dit wel echt over de rol die contact met de natuur speelt bij psychisch herstel? De wetenschappelijke studie werd erbij gepakt en het bleek te gaan om een experiment waarin met behulp van een computertest gezocht werd naar de effecten van gemanipuleerde ontspanningsverwachtingen van studenten die voor hun studie zogenaamde proefpersoonpunten moeten halen. Dat is toch wel heel iets anders. Maar op zijn eigen merites beoordeeld, zo schrijft de wetenschapsjournalist, is dit toch een leerzaam onderzoek: “de ontspanningswaarde van een stadscafeetje en een park liggen misschien niet zo ver uit elkaar als altijd werd aangenomen. Al is er meer onderzoek nodig om dat in het echt te bevestigen.”

Is dat het onderzoeken waard? Moeten we daar duizenden studenten voor opleiden om te onderbouwen wat iedereen al op zijn klompen aanvoelt? En kijk eens goed naar deze laatste zin: ik wijs op een verschil tussen iets op je klompen aanvoelen en iets wetenschappelijk verantwoord onderbouwen. Een belangrijk verschil – althans soms, in sommige domeinen, voor sommige beslissingen. Maar ook als dit een cruciaal verschil is, is nog helemaal niet zo duidelijk waarin dat verschil bestaat en of het verschil te maken is. En voor hoe lang. En door wie.

De huizenmarkt trekt aan. Iedereen voelt het op zijn klompen aan. Moet dit wetenschappelijk onderbouwd worden? Kan dat? Lijkt me niet. Voor dat die wetenschappers klaar zijn is de hausse alweer voorbij. Weggegooide inspanning.

Voetbaltrainers worden ontslagen bij tegenvallende resultaten. Ook dat voelt iedereen op zijn klompen aan. Ook dat is niet wetenschappelijk te onderbouwen. Bovendien zou het zinloos zijn. Het belooft controle waar die niet is. Dat wil zeggen, waar die niet is weggelegd voor de mensen die weten hoe dat werkt. Want juist die begrijpen niet hoe dat werkt. In het voetbal.

We leiden aan onze universiteiten hele volksstammen op om aan het slot van hun inspanningen braaf te leren zeggen dat verder onderzoek nodig is om hun bevindingen te bevestigen. Ondertussen sterven jaarlijks meer dan een miljoen kinderen aan zoiets onschuldigs als diarree.

Is dit een wetenschappelijke onderbouwing van mijn vermoeden dat we in het hoger onderwijs op de verkeerde weg zijn? Ik denk het niet. Maar volgens mij kan iedereen op zijn klompen aanvoelen dat er iets mis is met al dat gestudeer.