30 mei: Pedagogiek is geen wetenschap. En gelukkig maar!

Tijdens de Landelijke Pedagogendag 2015 in Rotterdam mag ik één van de plenaire lezingen verzorgen. Ik heb ervoor gekozen de controverse op te zoeken door te gaan betogen dat het maar goed is dat pedagogiek geen wetenschap is, en dus – let wel – een heel ander type universitaire aandacht nodig heeft dan het momenteel veelal krijgt.

Dat Nederland, ondanks de schijn van het tegendeel, een sterk hiërarchisch georganiseerd land is, kan prachtig geïllustreerd worden aan de hand van het gezag dat pedagogen toekomt op basis van het niveau van hun opleiding. Maar waaraan ontleent een universitair opgeleide pedagoog eigenlijk haar gezag, dat blijkbaar groter is dan het gezag van een pedagoog met een hbo-diploma, die zelf weer meer gezag heeft dan een pedagoog met een mbo-diploma?
Er zijn verschillende antwoorden op die vraag te geven, maar geen van de populaire – gezaghebbende – antwoorden op deze vraag is deugdelijk. Althans, dat zal ik betogen. Alle populaire antwoorden proberen te verdedigen dat pedagogiek een wetenschap is. Daar lijkt een goede reden voor te zijn, want de pedagogiek moet wel een wetenschap zijn om terecht aanspraak te kunnen maken op universitaire aandacht. Ik zal echter aannemelijk maken dat deze reden een drogreden is, en een kwalijke bovendien. Het is voor een intelligente, verantwoordelijke en systematische bestudering van de pedagogische werkelijkheid schadelijk deze bestudering te begrijpen als wetenschappelijk. Dat betekent niet dat de pedagogische werkelijkheid geen universitaire aandacht verdient. Verre van dat! Maar het betekent wel dat we de universitaire pedagogiek beslist een identiteitscrisis behoren aan te praten. Zij heeft van de pedagogische praktijk namelijk geen kaas gegeten.

 

4 mei: Knowledge, love and diplomacy

Het Nederlands Instituut te Athene heeft mij uitgenodigd een lezing te geven over de rol die liefde en kennis kunnen spelen in diplomatieke aangelegenheden. Ik ga een pleidooi houden voor het verminderen van het belang van een strategische, instrumenteel-rationele interpretatie van diplomatie, en ga proberen duidelijk te maken dat – net als in de zorg en in het onderwijs – we het meest baat hebben bij een interpretatie van diplomatie als een kwestie die om verbinden gaat, en dus om liefde vraagt, in plaats van om interventies. Ik zal daarbij mijn best doen een niet naïef beeld neer te zetten van dat typische menselijke vermogen: elkaar lief te hebben.

Heeft Luis Suárez echt gebeten?

Heerlijk, dat WK in Brazilië! Vooral ook voor gedragswetenschappers. Al dat hoogst bijzondere gedrag, vanuit alle hoeken gedetailleerd vastgelegd door tientallen high speed camera’s. Het gemak waarmee je dat allemaal, enorm vertraagd, eindeloos opnieuw kunt bekijken. Vanuit ieder perspectief. En je kunt het zelfs stil zetten, op ieder gewenst moment. Ongelooflijk. Zo nauwkeurig als je kunt zien wat er zich op het veld afspeelt. Dat krijg je nooit, echt nooit, voor elkaar in een gedragswetenschappelijk laboratorium.

Maar fascinerend genoeg weten we, ondanks dat we alles zo precies kunnen zien, heel vaak niet wat we moeten denken van wat we zien. Want heeft Suárez Chiellini nu wel of niet gebeten? Kun je dat zien? Of niet?

Tja. Dat hangt er maar vanaf wat je daarmee bedoelt. En daarmee komen we terecht in filosofisch vaarwater. We hebben behoefte aan een nadere bepaling van de begrippen die we nodig hebben om helder te kunnen spreken over wat we nu eigenlijk gezien hebben.

Die begrippen introduceren zichzelf op een heel onproblematische manier, gewoon in ons alledaagse engagement met wat zich voor onze ogen afspeelt. Wat zien we daar nu toch? Wat gebeurt daar in dat strafschopgebied? Giorgio Chiellini stort ineens op de grond. Hij grijpt pijnlijk en geschrokken naar zijn schouder. Deed Suárez iets? Hij heeft toch niet gebeten? Toch niet weer gebeten? En dan komen de herhalingen, vanuit alle hoeken. In slow motion. En het heeft er inderdaad alle schijn van dat Luis Suárez– onbegrijpelijk, onbegrijpelijk! – weer zijn tanden heeft gezet in het lichaam van een tegenstander. Wie doet er nu zoiets?

De publieke opinie is er snel klaar mee. Zoals gebruikelijk. Suárez wordt op de sociale media veelvuldig afgeschilderd als “een onverbeterlijke gestoorde gek die levenslang van het voetbalveld verbannen moet worden.”

En wat zegt Suárez er zelf van? “Zulke dingen gebeuren nu eenmaal op het veld.” Een prachtige formulering waarmee Suárez duidelijk maakt dat er een belangrijk verschil is tussen wat iemand doet en wat iemand overkomt. Chiellini is iets vreselijks overkomen. Dat is gebeurd. Maar niemand heeft iets gedaan. Ook Suárez is iets overkomen, zo lijkt hij te willen zeggen. Het siert hem natuurlijk niet dat hij zich zo vanzelfsprekend distantieert van die wonderlijke botsing tussen zijn tanden en Chiellini’s schouder.

Maar op het scherpst van de snede gebeurt er inderdaad voortdurend van alles. En veel van wat er gebeurt zal ook wel opzettelijk gebeuren. Voetballers zijn geen lieverdjes. De belangen zijn groot. En nadrukkelijk tegengesteld. Voetballers zullen echt hun best wel doen om de tegenstander uit de wedstrijd te spelen. En daarbij staan hen veel verschillende middelen ter beschikking. (Ik herinner mij nog goed, en met gêne, hoe ik zelf als vijftienjarige mijn tegenstander de hele wedstrijd door bleef lastigvallen met nare, demotiverende opmerkingen.) De grens tussen wat wel en niet toelaatbaar is, is dan vaag. Heel vaag. Er is als het ware vooral sprake van een breed niemandsland waarin de ene partij zichzelf van alles ziet overkomen en de tegenpartij van alles ziet doen. En omgekeerd.

Dat is interessant! Dat lijkt namelijk te betekenen dat we helemaal niet weten waar we het over hebben als we praten over wat er nu werkelijk gebeurd is. De kwestie is meer hoe wij er met elkaar in slagen om specifieke gebeurtenissen met succes als handelingen aan elkaar toe te schrijven. Daarbij zullen we ontdekken dat er geen neutrale manieren zijn om over die gebeurtenissen te spreken. Het is niet zo dat we om te beginnen een objectieve verzameling gebeurtenissen zullen kunnen identificeren. (“Ja, daar gaan die tanden van Suárez inderdaad die schouder van Chiellini in. En, ja, daar zien wij zijn kaakspieren aanspannen.”) Al zetten we er nog zo veel camera’s bij. Wat we moeten denken van wat we zien, komt niet pas aan bod nadat we het al objectief, neutraal en correct gezien hebben. Dat denken zit in het zien. We kunnen onze begrippen, om het zo te zeggen, nooit uit dat zien halen, behalve door er andere voor terug in de plaats te zetten. (Dat maakt filosofie ook zo relevant, omdat we in al ons alledaagse gepraat over ons eigen gedrag niet zonder begrippen kunnen.)

Als je dat niet gelooft, kijk dan nog maar eens naar die fantastische kopbal van Robin van Persie. Kun je zien dat Van Persie die kopbal opzettelijk zo met dat boogje over Casillas kopt? Of vliegt hij gewoon per ongeluk op precies de goede manier tegen die bal aan? De kans dat we Van Persie op correcte wijze precies de juiste hoeveelheid verantwoordelijkheid kunnen geven voor zijn fantastische actie, is nihil. En hij is niet nihil, omdat het zo moeilijk vast te stellen is in welke mate Robin van Persie op het moment suprême precies intentioneel controle had over wat hij deed. Het punt is juist dat er in dat gedrag gewoon helemaal geen feitelijke maat van verantwoordelijkheid aanwezig is. Verantwoordelijkheid is een kwestie van hoe wij omgaan met elkaar.

Dat betekent dan natuurlijk ook weer niet dat Van Persie in feite helemaal niet voor die prachtige kopbal verantwoordelijk gehouden kan worden. Het betekent juist dat de mate waarin die kopbal Van Persie’s verdienste is, intrinsiek samenhangt met de mate waarin wij het daar met elkaar over eens zijn.

Wat betekent dit nu voor Suárez? Heeft hij nu wel of niet gebeten? Heeft hij het gedaan of is het hem overkomen? Dat hangt af van hoe wij het daarover eens gaan worden. Hopelijk realiseren ze zich dit bij de FIFA. Hopelijk beseffen ze dat hun onderzoek in feite een filosofische verkenning zal moeten zijn van de betekenis die wij samen toekennen aan het werkwoord “bijten”.

Daar wil ik nog iets aan toevoegen. Veel gedrag is het resultaat van jaren en jaren training. Zulk gedrag vertoon je het best als je er niet bij nadenkt. Spreek je naam maar eens uit, en let daarbij dan niet op wat je doet als je denkt dat je je naam uitspreekt, maar op wat je doet als je denkt aan wat jouw lippen en je tong doen als je je naam uitspreekt. Grote kans dat je over je eigen spraakorgaan struikelt.

Zo is het ook met Van Persie’s prachtige kopbal. Jaren en jaren training. Niet bij nadenken.

En dat geldt ook voor het bijten van Suárez. Zijn gedrag heeft niets te maken met het zogenaamde gegeven dat gekte en genialiteit zo dicht bij elkaar liggen, zoals sommigen schijnen te denken. Het is slechts een kwestie van jaren en jaren training.

Laten we Suárez daarom voortaan gewoon een stevig bit in de mond doen tijdens het voetballen. Dan overkomt hem hopelijk geen narigheid meer. Dan overkomen hem alleen nog maar die wonderlijk mooie doelpunten. Die mag hij dan de rest van zijn leven niet meer aan zichzelf toeschrijven. Bij wijze van straf. Zulke doelpunten “gebeuren nu eenmaal gewoon op het veld”.

Misschien kunnen we in de nasleep dan ook een nieuwe bestemming vinden voor die volstrekt overdreven salarissen van die jongens.


Hoger onderwijs

Minister Bussemaker reageert in Buitenhof en op haar weblog op een groep vooraanstaande wetenschappers die onder de naam Science in transition stelling nemen omdat zij zich ernstig zorgen maken over het huidige wetenschappelijke systeem. Ik doe dat ook, zoals onlangs in de lezingenreeks Ethos of Science, in mijn bijdrage aan Denkruimte en, op een indirecte manier, in mijn boek Laat je niets wijsmaken. Science in transition is een prachtig initiatief dat hopelijk veel mensen aan het denken zal zetten en nu ook de minister heeft bereikt.

Mooi.

Ik beperk mij hier tot een reactie op een ogenschijnlijk achteloos vanzelfsprekende opmerking van de minister. Aan de constatering dat “we heel, heel veel meer studenten hebben gekregen” voegt ze onmiddellijk toe: “Dat is op zich dan weer heel positief.” Iets later in het interview nuanceert ze dit door op te merken dat het hoger onderwijs open moet blijven staan “voor iedereen die het wil en iedereen die het kan.” Juist. Dat klinkt helder. En het spreekt voor zich.

Althans…

Wat bedoelt de minister eigenlijk met “iedereen die het wil”? Waar verwijst dat kleine woordje “het” naar? Om nog maar te zwijgen over dat al even kleine woordje “wil”.

Wat zegt dat over iemand als hij “hoger onderwijs” wil? Hoger. Als je dat koppelt aan de wil, klinkt het bijna als een tautologie. Iedereen wil hoger onderwijs, zoals iedereen een hoger salaris wil en meer geluk. Het betekent niets. Maar het verklaart in één keer wel waarom we aan de universiteit zo’n last hebben van de verwarring tussen “kwalitatief beter” en “kwantitatief meer”. Het ligt gewoon in de naam van ons onderwijs besloten. En juist omdat iedereen vanzelfsprekend hoger onderwijs wil, voegt minister Bussemaker er streng aan toe dat er een extra voorwaarde geldt: “voor iedereen die het kan.”

Maar wil iedereen wel hoger onderwijs? Weet de gemiddelde scholier wel wat hij wil als hij hoger onderwijs wil? Ik betwijfel dat zeer.

Onze scholieren groeien op in een cultuur waarin de volgende vooronderstellingen vrijwel nooit betwist worden: (1) het is belangrijk er uit te halen wat er in zit; (2) je moet je talenten ontwikkelen; (3) hoe hoger het diploma waarmee je de arbeidsmarkt betreedt, hoe groter de kans op een aantrekkelijke, goed betaalde baan en dus hoe groter de kans op een gelukkig leven. Omdat iedereen dat gelooft, geloven onze scholieren dat ook. En dus is het evident dat ze “hoger onderwijs” willen, whatever it is.

Dat is één van de serieuze problemen waarmee onze universiteiten worstelen: dat ze overspoeld worden door studenten die helemaal niet door nieuwsgierigheid gedreven worden, die helemaal niet geïnspireerd raken door ontbrekend begrip, die helemaal niet het verlangen hebben om over de grenzen van het weten heen te kijken, al was het maar omdat ze al lang verleerd hebben dat verwondering beloond wordt.

Zolang we in Nederland klakkeloos blijven geloven in onze Europese taak om te zorgen voor een beroepsbevolking die voor de helft uit “hoger opgeleiden” bestaat, zal het voor de initiatiefnemers van Science in transition – en voor iedereen die de academie een warm hart toedraagt – een hopeloze strijd worden om te zorgen voor een universitair klimaat waarin nieuwsgierigheid de belangrijkste drijfveer is.