Het Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte heeft een focusnummer gewijd aan een tekst van mij: ‘De waarheid is van ons allemaal’. Het nummer bevat naast mijn tekst zeven commentaren, en tenslotte weer een antwoord van mij op die commentaren. De geaccepteerde auteursversie van mijn tekst en mijn antwoord zijn hier te lezen.

Wim de Muijnck schreef het volgende ‘Redactioneel’ dat ik hier graag overneem omdat het een mooie uitnodiging is om het nummer te willen lezen.
De sociale wetenschappen worstelen al sinds jaar en dag met hun ‘softe’ imago. Maar zoals passend in een kennissamenleving raken deze wetenschappen steeds meer op empirisch-analytische leest geschoeid. Zo kunnen de beoefenaren eindelijk de rol van experts op zich nemen die bestuurders en professionals van handvatten voorzien om op wetenschappelijk geborgde wijze hun werkterrein te beheren.
Ah, dat werkterrein! Die zogeheten ‘sociale werkelijkheid’, dat speelveld waarop wij leken ons bewegen. Waar het steeds beter toeven is dankzij de methodisch ontwikkelde en beproefde instrumenten ter interventie die de experts onze bestuurders en professionals in handen geven. Om het terrein voor hen beheersbaar en voor ons leken beter begaanbaar te maken.
Droom verder zegt Jan Bransen, de auteur van dit focusnummer. Of beter: hou op met dromen. Sociale wetenschappers hebben op deze manier een verkeerde taakopvatting en als wij leken het hen toestaan om zich daarnaar in onze ‘betekenisvolle, normatief gereguleerde, altijd meerduidige en te betwisten werkelijkheid’ te mengen raakt onze omgang daarmee ernstig ontregeld. Die wetenschappers moeten niet achter de bestuurders en professionals in hun vermeende controlekamer, hun ‘cockpit’ willen staan, maar eerder naast ons leken op het speelveld – niet dat ze feitelijk ooit ergens anders staan.
Maar ja, hebben sociale wetenschappers dan überhaupt nog wel een rol te spelen?
We geven nu graag het provocatieve woord aan onze focusauteur Jan Bransen, en het soms milde, soms scherpe maar altijd vindingrijke weerwoord aan de zeven auteurs die voor ons een repliek hebben geschreven. Zoals gebruikelijk heeft de focusauteur vervolgens het laatste woord met een dupliek.

En….natuurlijk is elke mens een wetenschapper als hij een probleem moet oplossen. Dan doorloopt hij dezelfde cyclus: er is een duidelijk aangetoond probleem (voorwaarde 1), bestaande kennis voldoet niet (vw. 2), je moet iets zelf bedenken of samen met anderen als die het probleem ook onderkennen (vw. 3)…en dan (4) kijken of het werkt. Welnu, dat organiseer je achttien karaats op een goed onderzoeksinstituut. Maar verder ook elders…mag overal. En het gebeurt ook overal, ook in het verleden en ook buiten de Westerse Wetenschappelijke Revolutie om, zo argumenteerde Frits Staal al in dat boek over rivieren als ik het me uit het blote hoofd goed herinner.
Kan dit wat in je weerwoord staat zonder wetenschap: ”Het zogenaamde ‘dramaturgische model van menselijk gedrag’ kan goed gebruikt worden om de normativiteit van de sociale werkelijkheid zichtbaar te maken. Ook laat ze het onvermogen van de sociale wetenschappen zien om om te gaan met de alledaagse aanwezigheid van tweede en eerste personen in die sociale werkelijkheid. Dat maakt de rol van sociale wetenschappers problematisch”.
Het onvermogen van sommige sociale wetenschappers zul je bedoelen. Beoefend volgens de operationele cyclus van Pierce brengt wetenschap de normativiteit voort waaraan iedereen zich te houden heeft for the time being. Want in deze tijden van post-truth is wetenschap het enige democratische instituut voor waarheidsvinding…als we dat tenminste bewaken ipv. afvallen. Alleen zo voorkom je dat iemand kan beweren de waarheid in pacht te hebben.
Ooit schreef ik dit over het verschil tussen moraliseren, wat volgens mij in Jans tekst gekritiseerd wordt, en normativeren: “Wat is er tegen moraliseren? Een heleboel. Er is een belangrijk verschil tussen moraliseren en wat ik in Culture as Embodiment ‘normativeren’ heb genoemd. Normativeren gebeurt op basis van inzichten die voor iedereen gelden. Zodra ze for the time being (elk inzicht is voorlopig) min of meer zijn vastgesteld op basis van beproefd inzicht, gelden ze voor iedereen zonder aanziens des persoons. Bij moraliseren is dat niet het geval. Moraliseren gaat van boven naar beneden; er is altijd een bovenliggende partij die weet wat wel en niet goed is voor “they down there”. Een moralist is iemand die denkt dat de mensen niet weten wat goed voor hun is. De moralist weet dat wél.”
Veel sociale wetenschappers claimen met hun onderzoek een moraliserende positie en dat is – daar heeft Jan gelijk in – not done. Maar om dat te laten gelden voor DE sociale wetenschappen gaat mij te ver. Blijf man, vrouw + en paard noemen, dat is productiever, denk ik.
Dank voor je reactie, Paul.
Ik snap je zorgen. En het gaat mij inderdaad om het organiseren van een democratische manier van waarheidsvinding. Maar daar hebben we iets anders voor nodig dan wetenschap, althans voor zover we wetenschap beschouwen als het INSTITUUT dat epistemische autoriteit genereert.
Het probleem met een institutioneel geborgde epistemische autoriteit zit hem precies in de problematiek die bestaat tussen enerzijds de stelling dat IEDEREEN zich aan die autoriteit moet onderwerpen en anderzijds de stelling dat dat FOR THE TIME BEING is. Want wie bepaalt wat het juiste tijdstip is om een inzicht te laten vallen? Bepaalt het instituut dat? Kan het dat doen op epistemische gronden?
Mijn zorg zit hem precies in de verzelfstandiging (de objectieve veruiterlijking, zou Hegel zeggen) van het instituut dat zich opstelt als de geautoriseerde vertegenwoordiger van een activiteit die daadwerkelijk een kwestie van *onderzoeken* is, een activiteit die wij beiden proberen te beoefenen en die we koesteren en behartigen. Maar die activiteit is niet voor te behouden aan daartoe formeel aangestelde wetenschappers. Het is juist een activiteit die we met zijn allen behoren te beoefenen. Hoe dat te organiseren is het intelligibiliteitsprobleem waarmee ik aan het eind van mijn afscheidsrede ben blijven zitten.
Binnenkort verschijnt een artikel van mij in het Vlaamse tijdschrift *Ethiek en Maatschappij* waarin ik die kwestie verder verken. Getiteld: “De universiteit van de toekomst zal het huis van de democratie moeten zijn”.
Grappig, steeds staat er dat een instituut of de wetenschap iets doet. Wat ik steeds over cultuur beweer tot ik een ons weeg is (als valse parels voor echte zwijnen zei van Duinkerken ooit) is dat cultuur niks doet, mensen wel. Dat geldt ook voor wat je hierboven schrijft.
Wie ‘for the time being’ bepaalt is een onzin vraag. Daar is geen bepaler voor. Wat wel paal en perk stelt is is wat jij beschrijft: de praktijk die er al dan niet wat aan heeft…Hebben we er niks aan, wordt het afgevoerd. Dat is geen objectieve bepaler, of zoiets…ook niet die van Hegel…
Ik snap dit soort filosofie niet. Als je wat hebt tegen mensen die waarheid afstoppen, stel dat aan de kaak. Kost erg veel werk maar dan heb je ook wat.
Het zijn jouw woorden, Paul:
“Want in deze tijden van post-truth is wetenschap het enige democratische INSTITUUT voor waarheidsvinding…als we dat tenminste bewaken ipv. afvallen.”
En het is ook een voorwaarde die jij introduceert en die wel degelijk cruciaal is: “zodra ze FOR THE TIME BEING (elk inzicht is voorlopig) min of meer zijn vastgesteld op basis van beproefd inzicht”
(Mijn hoofdletters)
En nu nog weer een nieuwe zorg: “Hebben WE er niks aan, wordt het afgevoerd.” Weer mijn hoofdletters, maar wie zijn “we”?