Bij mijn afscheid als hoogleraar Filosofie van de gedragswetenschappen kreeg ik van collega’s en vrienden een heleboel tegeltjes met wijze uitspraken. Een bijzonder interessante en diepzinnig wijze tegel kreeg ik van Pien Walraven: “We denken dat als we “één” begrijpen, we ook “twee” begrijpen, omdat “één en één” twee is. We vergeten dat we eerst ook nog “en” moeten begrijpen.”

De tegel doet me denken aan die onjuiste rekensom die ons soms als een belangrijke waarheid aanbevolen wordt: 1 + 1 = 3. Op een simpele manier klopt dit, omdat er vóór het is-teken inderdaad drie symbolen staan.Maar tegelijkertijd klopt het niet, omdat er nog een vierde symbool in de rekensom staat, het is-teken zelf. Dus dat wordt vier. Tegelijkertijd zou je dan onmiddellijk moeten concluderen dat “vier” niet correct kan zijn, omdat die vier zelf ook een symbool is. Dus 1 + 1 = 4 telt vijf symbolen, maar als je dat correct zou willen uitschrijven kom je in een eindeloze regressie, zodat je met een wat vreemde kunstgreep het best kunt zeggen dat “1 + 1 = 4” vier symbolen telt.

Waarom vind ik dit nu zo interessant en diepzinnig wijs? Dat heeft met een oude liefde van mij te maken: de achttiende eeuwse filosoof Salomon Maimon, wiens werk een grote rol speelde in mijn proefschrift uit 1989. Maimon probeerde duidelijk te maken dat een puur formele logica niet mogelijk was, omdat er altijd een denkend wezen nodig is om die logica logica (d.w.z. redeneerkunst) te laten zijn.

Maimons standaard manier om dit aanschouwelijk te maken was om aan te tonen dat er een premisse verborgen zit in deze meest elementaire redenering:
Als a = b en a = c, dan b = c.
De verborgen premisse, zo betoogt Maimon, is de aanname dat de eerste ‘a’ identiek is aan de tweede ‘a’. Als we die identiteit volledig denken te kunnen vangen in de materialiteit van de symbolen die we gebruiken om onze logica te formaliseren, dan zouden we wellicht onproblematisch kunnen volhouden dat het symbool ‘a’ (en dat wil dan dus zeggen de feitelijke distributie van zwarte inktdruppeltjes in een plat vlak) identiek is aan het symbool ‘a’ (dus aan nog precies zo’n distributie van inktdruppeltjes). Maar deze manoeuvre ontneemt het symbool ‘a’ zijn functionele rol in de redenering die we nu juist formeel proberen weer te geven. En dat geldt voor ieder symbool.
De kern van de verborgen premisse, aldus Maimon, is dat die wijst op de rol van de aanname – dat wil zeggen, van de denkact die gebeurt op het moment dat een entiteit een functionele rol krijgt, een symbool wordt, in een betekenisveld voor iets anders gaat staan, een representatie wordt. Je zou het ook zo kunnen zeggen: representaties bestaan feitelijk niet, er bestaan alleen maar representings, representeerdaden. Of in het Duits, want Maimon schreef in het Duits: een Vorstellung kan niet betekenisvol zijn zonder de denkact van het stellen, de denkact die ook wij weer opnieuw uitvoeren als we de redenering aanschouwen en het stilzwijgend voor vanzelfsprekend houden dat de eerste ‘a’ natuurlijk identiek is aan de tweede ‘a’, waardoor zij beiden staan voor dezelfde zaak, de zaak die zij in de redenering vertegenwoordigen.

Dit is ook vandaag de dag – of misschien wel in het bijzonder juist vandaag de dag – nog steeds van grote betekenis, omdat wij – veel meer dan eertijds Maimon en zijn tijdgenoten – zoveel tijd doorbrengen met symbolen, met cijfers en letters, met bits en bytes en dots op een scherm. Er is een heldere les voor al die mensen die zichzelf bedriegen door met Large Language Models om te gaan alsof het kunstmatige intelligentie betreft. Dat is het niet. Er is niets intelligents aan dots op een scherm. De verborgen premisse is dat de gebruiker van LLM’s de output van deze stochastische papegaaien betekenis geeft. En hoe meer je jezelf onderdompelt in zelfbedrog door te vooronderstellen dat je met een intelligente gesprekspartner te maken hebt, hoe meer je uiteindelijk van jezelf een stochastische papegaai maakt, die slechts kunstmatig intelligent is, maar in werkelijkheid oliedom.
Dat is de les van de mooie tegel van Pien Walraven. Want het begrijpen van de “en” komt neer op het begrijpen van sociale intelligentie, van wat we gezamenlijk van onszelf, elkaar en de wereld begrijpen. En als stochastische papegaaien jouw voorbeeld zijn van gedeelde intelligentie dan vervorm je jezelf langzaam tot een machine die dots op een scherm kan produceren maar van niets de betekenis begrijpt.
Ook die andere symbolen – en nu ga ik even verder dan de wijsheid van Piens tegel – verdiepen de relatie tussen, zoals Maimon dat zou zeggen, het Denken en de Wereld. Dat vierde symbool, het is-teken, markeert namelijk de overgang van het domein van de taal, van het gearticuleerde denken, naar het domein van de wereld, van het doorleefde, sensibele denken. Wat vóór het is-teken staat, zijn symbolen die volstrekt op hun plaats zijn in de wereld van tekens, van bits en bytes, van dots op een scherm, of inkt in een schrift. Hun bestaan strekt zich niet verder uit dan tot het abstracte domein van syntax (en semantiek). Maar wat ná het is-teken staat is niet alleen maar een talige representatie, is niet alleen maar een kwestie van syntax (en semantiek). Want de semantiek die als het ware in de syntax slechts wordt aangekondigd – door dat suggestieve is-teken – wordt pas betekenisvol dankzij de pragmatiek, dankzij de actieve inbreng van denkende wezens, wezens die leven, die zich ergens om bekommeren, voor wie zaken van betekenis zijn.
Vandaar ook dat er een streep door die “vier” moet, omdat we ons moeten realiseren dat er na het is-teken niet gewoon weer een formeel symbool kan staan. Na het is-teken bevinden we ons, zoals Maimon dat zou zeggen, in een transcendentale positie, omdat we via dat is-teken als het ware uitstijgen boven de puur empirische wereld. We komen in een positie terecht van waaruit het mogelijk is – of althans mogelijk lijkt – om iets te kunnen zeggen over de relatie tussen de wereld en het denken, zonder zelf als transcendentaal subject gereduceerd te kunnen worden tot óf de positie van de wereld óf de positie van het denken.
Als dit je allemaal te zeer boven de pet gaat, houd het dan gewoon bij de mooie tegel van Pien Walraven en stel je gerust met de al even diepzinnige tegel van Wim de Muijnck: “My views do not necessarily represent my views.”

