hoekje

Familiezin

Brigitte Kaandorp doet in haar shows wanhopig, hilarisch en tevergeefs pogingen om die shows structuur en richting te geven. De hele avond kijk je naar haar en terwijl het evident is dat het nergens over gaat, heb je de hele tijd het gevoel dat het toch ergens over zou moeten gaan. Ze speelt duidelijk met die obsessie van ons, dat verlangen naar een verhaal met een moraal, een levensles, iets dat je van die avond mee naar huis kunt nemen. Grappig genoeg zijn wij door ons formele onderwijs zo gedisciplineerd dat we die op absurde wijze geëtaleerde zinloosheid op zichzelf betrekken en tevreden concluderen dat dat dan de ‘leeropbrengst’ van ons avondje cabaret is. Dat hebben we dan toch maar mooi geleerd: dat mensen een diep verlangen naar richting en zin hebben en dat we die zin desnoods zelf maken als die er niet blijkt te zijn. Want stel je voor dat zo’n avond cabaret nergens over zou gaan, geen structuur en – dat vooral – geen richting zou hebben?
Ik denk echter dat we heel iets anders van zo’n avondje cabaret zouden kunnen leren, iets dat we ook kunnen leren van een verjaardagsfeestje of van een weekendje weg met de hele familie.
Kinderen leren iets aangrijpend dieps van zo’n weekendje weg. Familiezin. Vanzelfsprekende, onvergankelijke, onverdiende verbondenheid. Dat je er gewoon bij hoort, hoe dan ook. Dat kan lelijk zijn, als je bijvoorbeeld Holleeder heet, maar ook oneindig dierbaar en mooi, zoals je kunt voelen in gedeelde vreugde, in onbekommerde blikken van goede verstandhouding, in ongevraagde aandacht, maar ook in het delen van verdriet – de intimiteit aan het stervensbed van opa, een hand die je tijdens de begrafenis van een oom krijgt, of de knuffel die je oma geeft.

Familiezin leer je niet intentioneel. Dat krijg je gewoon mee. Daar hoeft het niet over te gaan. En daarin schuilt voor mij een belangrijke les over het werkwoord ‘leren’. Of eigenlijk wel twee, drie, of zelfs vier lessen.
Dit is de eerste: misschien leer je het belangrijkste niet intentioneel.
Die les suggereert een tweede: misschien vergissen we ons als we denken dat echt, wezenlijk, prototypisch leren intentioneel leren is. Deze vergissing komen we, denk ik, pijnlijk tegen in de opmerking die soms gemaakt wordt over hele slimme kinderen die tot ver in de middelbare school alles lijkt te zijn komen aanwaaien, en die dan met tegenslag en desinteresse te maken krijgen.
“Ze weten ook niet wat ‘leren’ is”.
Hoe halen we het in ons hoofd om zo’n opmerking te maken over kinderen die al die jaren op eigen houtje juist ontzettend veel hebben geleerd, zelfs inclusief het aanleren van een overlevingsstrategie in een schoolsysteem dat hen vooral klem zet en dwars zit.
Daaruit trek ik een derde les: het formele onderwijs organiseren we rondom intentioneel leren, maar misschien is het belangrijkste wat we daar leren juist niet iets wat we leren aan de hand van de expliciete leerstof.
En dat brengt me bij de vierde les: omdat we denken dat leren intentioneel is, denken we dat de leerstof expliciet is. Dat leidt tot een overdreven aandacht voor abstracte, contextloze, theoretische kennis. Over die eenzijdigheid heb ik het al in een eerdere blog gehad. Het is een eenzijdigheid die een hoge prijs heeft, juist in het domein van de sociale interactie. Want hoe hebben we ooit kunnen denken dat managementtheorieën, communicatietheorieën, en gedragswetenschappelijke theorieën belangrijker zijn voor de omgang tussen mensen dan hartelijkheid en begrip?
Zouden we niet veel meer samenlevingszin kunnen leren door te bouwen op familiezin? Laat ik dat hier dan toch maar expliciet formuleren als de moraal van Brigitte Kaandorps shows: hou eens op met dat verlangen naar een expliciete leeropbrengst. Laten we gewoon ongegeneerd genieten van de familiezin die Kaandorp weet te realiseren in een zaal vol vreemden.
Daar kunnen we in het onderwijs nog heel veel van leren.

Trefwoorden:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *