Laten we schelmen vormen

The Low Countries Journal of Social and Economic History vroeg mij de handelseditie van Joris Verheijens proefschrift, Revolutie in de schoolgang. Radicaal-romantische Bildung in en buiten het onderwijs tussen 1789 en nu, te bespreken. Dat heb ik met veel plezier gedaan, want het is een geweldig boek!

De bespreking staat nu online, hier in Open Access, maar je kunt de hele tekst ook hieronder lezen.

Je moet het maar durven: een lerarenbeurs aanvragen om een proefschrift te schrijven over een onderwijsfilosofisch cliché op het moment dat de toenmalige minister van Onderwijs, Jet Bussemaker, datzelfde cliché uit de mottenballen had getrokken als weerwoord tegen de neoliberale onderwijspolitiek van het eerste kabinet Rutte. Geen ‘kennis, kunde, kassa’, maar ‘Bildung, betrokkenheid en burgerschap’. Ja, ja, Bildung, dat even verguisde als gelauwerde toverwoord. Je moet het maar durven, in de hoop dat een meer politiek betrokken Bildung denkbaar zou zijn, tegen het cliché in, tegen het klassieke vormingsideaal in dat humanisme en zachte krachten belooft maar dat vooral een disciplinerende en depolitiserende werking heeft, dat de bestaande orde in stand houdt, dat vrijblijvend navelstaren aanmoedigt en ieder revolutionair potentieel in de kiem smoort. Je moet het maar durven, om dan na jaren studie te concluderen “dat die politiek betrokken Bildung er van meet af aan geweest was, maar dat ze daarna is weggepoetst uit de geschiedenisboeken.” (p. 269)

Maar wat ben ik blij dat Joris Verheijen dit gedurfd heeft. Wat een fenomenale studie heeft hij geschreven – goed geschreven ook! Een feest om te lezen. Een spannende ideeëngeschiedenis die vooral ook een mensengeschiedenis is, waarin de klassieke grote namen die iedereen kent die wel eens van Bildung heeft gehoord – Humboldt, Schiller en Goethe – flets afsteken bij de revolutionaire, radicaal-romantische denkkracht van, relatief onbekende of vergeten, denkers als vooral Georg Forster en Caroline Böhmer, en in mindere mate Friedrich Schlegel en Walter Benjamin. Waardering heb ik ook voor de moed van de uitgever om zo’n gedegen en erudiete dissertatie met ruim 700, soms lange, voetnoten uit te geven – als een paperback ook nog. Voor iemand als ik, die de laatste 30 jaar de gedragswetenschappelijke en onderwijskundige proefschriften steeds korter heb zien worden, is alleen dit al een teken dat het uiteindelijk misschien toch nog goed komt, dat de zachte krachten het neoliberalisme uit het onderwijs zullen slaan, om te beginnen uit het onderwijsonderzoek.

De studie is slim opgezet, als een dubbele raamvertelling. Want Verheijen begint – en eindigt – bij één van zijn eigen leerlingen, vijf gymnasium, die zich na een aantal lessen over Foucault verbaast over hoeveel er niet eens meer in zijn hoofd opkomt om in de gang te doen. Deze aan den lijve ondervonden disciplinering plaatst Verheijen in het eerste hoofdstuk in een tweede kader, namelijk in de context van het groeiende onbehagen dat ons huidige onderwijs domineert. Niet alleen Bussemaker vindt immers dat er iets moet gebeuren. Er is iets grondig mis met heel ons onderwijs. Dat vindt iedereen. Maar wat moet er dan gebeuren? Bildung, is uiteindelijk Verheijens antwoord. Of anders geformuleerd: revolutie in de schoolgang. Want dat is wat Bildung is, als je Georg Forster mag geloven.

Verheijen laat ons vervolgens in acht hoofdstukken zien dat we heel goede redenen hebben om Forster te geloven. Dat begint met een verkenning van de breuk tussen Wilhelm von Humboldt en Georg Forster, die al beroemd was toen Humboldt hem voor het eerst ontmoette en die aanvankelijk ook enorm door Humboldt wordt geprezen. De geschiedenis van de omgang tussen deze twee denkers is in feite zelf ook een Bildungsproces, de vorming van individuen en van ideeën, een Geistesgeschichte, waarin ook aan geschiedvervalsing is gedaan, omdat Humboldt later zo goed als mogelijk heeft geprobeerd te verdoezelen dat hij ooit op goede voet met Forster heeft gestaan. Het is een geschiedenis die Verheijen met verve in kaart brengt, een geschiedenis die zich in de schaduw van de Franse revolutie afspeelt, tegen de achtergrond van oorlog en geweld, van een strijd om sociale gelijkheid, van een strijd tegen de privileges van de adel, tegen de systematische onderdrukking van vrouwen, tegen de vanzelfsprekende hierarchie die een standenmaatschappij impliceert.

We zien Humboldt en Goethe terugschrikken voor het geweld. We zien ze de kant kiezen van de adel en de gegoede burgerij, van de Gebildeten. We zien ze vooral tegen de revolutie kiezen, tegen de chaos en het onvoorziene. We zien ze voor de geleidelijke ontwikkeling kiezen die zij met Bildung associëren, de harmonische, trapsgewijze vorming waarin iemand wordt wie die altijd al was, “een proces waarin de inspiratie van een Vorbild, met name dat van de oude Grieken,uiteindelijk leidt tot de realisatie van een overeenkomstig Nachbild.” (p. 61)

Daartegenover zien we Forster radicaliseren, zien we zijn poging een revolutie in Mainz te ontketenen, zien we hem op de barricaden staan, naar het voorbeeld van de Franse sansculottes, radicale strijders uit de laagste klassen die geen sjieke kniebroek konden betalen. Twee hoofdstukken verder maken we kennis met Caroline Böhmer die het als vrouw beduidend moeilijker heeft om een vorm te vinden voor haar vrijheidsliefde. Verheijen portreteert haar overtuigend als een scherpe en ironische geest die vooral in haar brieven de openheid toont “voor alternatieve mogelijkheden, ook in een tijd waarin die alternatieven moeilijk te realiseren waren.” (p. 151)

Met geen mogelijkheid kan ik hier de rijkdom recht doen van de vele verhaallijnen die Verheijen voor ons spint. Friedrich Schlegel komt voorbij, grenzeloos verliefd op Caroline die met zijn broer August is getrouwd. En ook – zo’n honderd jaar later – maakt Walter Benjamin zijn opwachting in Verheijens vertelling. Zij trekken de lijnen door die Forster in aanzet heeft geschetst, waarbij er zeker voor Caroline Böhmer een grote rol is. In haar ervaring wordt de grote romantische kloof zichtbaar tussen verlangen en werkelijkheid, en ook de noodzaak van ironie, omdat het voor haar als vrouw evident is hoeveel er niet rechtstreeks gezegd kan worden.

Na honderdvijftig jaar Duitse denkers keert Verheijen, gewapend met een radicaal-romantisch Bildungsideaal, terug tot de hedendaagse onderwijsfilosofie met een verrassende en originele kritiek op Gert Biesta’s interpretatie van Rosa Parks’ weigering om op te staan van haar zitplaats in de bus omdat die alleen voor blanken was bestemd. Daarna sluit Verheijen ook de tweede raamvertelling af met de paradoxale vraag aan zijn leerlingen hoe zij zich in hemelsnaam in opdracht van hun leraar kritisch zouden kunnen bevrijden. Dat vraagt iets van ons onderwijs, aldus Verheijen. Dat zouden we zo moeten vormgeven dat het “een zekere kritische, schelmachtige ongehoorzaamheid van de kant van leerlingen in de hand werkt.” (p. 268)

Het is deze pedagogische ongehoorzaamheid, de onaangepaste houding van de schelm, die kenmerkend is voor het Bildungsideaal van Forster, Böhmer, Schlegel en Benjamin. Bildung is een schoksgewijze ontwikkeling die het van paradoxen en tegenstellingen moet hebben, die een voortgaande keten van ontzagwekkende revoluties is, die gekenmerkt wordt door breuken, die wezenlijk onaf is, omdat iedere vorm, juist als vorm, onvolmaakt is en zijn tegenbeeld oproept. Het gaat om het vermogen “je sterk te maken voor iets groters dan jezelf, om egoïsme en de drang naar persoonlijk succes te overwinnen en je blik op de wereld te verruimen.” (p. 169)

Heb ik dan niets in te brengen tegen dit magistrale boek? Doe ik daarmee niet juist de voortgaande dialectische ideeëngeschiedenis tekort die Verheijen ons voorschotelt? Jazeker wel, maar dat is voor een andere keer, als de lezers van deze boekbespreking het boek zelf gelezen hebben (echt doen!) en zich met mij afvragen wat nu toch precies het verschil is tussen het symbool en de allegorie waar Forster, Goethe, Humboldt, Schlegel, Benjamin, Masschelein, Simons, Jameson en Verheijen zich zo druk om hebben kunnen maken.