In hoofdstuk 3 van Laat je niets wijsmaken heb ik een onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van samenwerken, van samen één meervoudige actor zijn – zoals ik dat het liefst noem. Zo’n meervoudige actor heeft soms een heel kort leven, als er bijvoorbeeld sprake is van het passeren van elkaar op straat. Ieder is dan vooral een individuele actor, een zelfstandig individu, bezig met de uitvoer van een eigen plan, bijvoorbeeld een bijna vertrekkende trein halen, naar de winkel lopen, de hond uitlaten of een ommetje maken. Op het moment dat het traject van de ene persoon dat van een andere persoon kruist, zal er afgestemd moeten worden. Wie gaat linksom, wie rechtsom, wie houdt even in, et cetera. Veel gezamenlijkheid komt daar niet bij kijken, en die is ook nog eens kortstondig van aard.

We zijn vaak niet geneigd om dit soort toevallige, vluchtige interacties te definiëren in termen van een meervoudige actor. We denken bij samenwerking doorgaans eerder aan diverse vormen van teamwork, zoals bijvoorbeeld het bouwen van een woning, het organiseren van een debat of het runnen van een restaurant. De betrokkenen moeten hun gedrag dan op allerlei manieren op elkaar afstemmen en zich daadwerkelijk committeren om gedurende langere tijd lid te zijn van een team.
Een derde vorm van samenwerking vraagt om meer dan een zuiver doelmatige betrokkenheid, zoals in het geval van vriendschappen en huwelijken, of breder, zodra er sprake is van een verbinding die om een zekere identificatie vraagt, om een engagement dat gefundeerd is in de identiteit van de betrokkenen.
Een mooie, maar ook wel ietwat droevige – en daardoor ook enigszins problematische – manier om het verschil tussen deze twee meer complexe vormen van samenwerking uit te leggen, is te wijzen op het verschil tussen wat een voetbalsupporter bereid is voor zijn club te doen en hoe een profvoetballer zijn contract ervaart. De profvoetballer werkt ongetwijfeld het hardst en draagt in die zin het meeste bij aan de prestaties van de club. Maar hij is ook gewoon een goede werknemer, met een eigen agenda en eigen ambities, en is doorgaans voor meer geld bereid voor de tegenpartij te gaan voetballen. Even goede vrienden, zeggen we dan. Supporters kunnen daarentegen niet op deze manier van club wisselen. Ze willen dat natuurlijk ook niet. Hun persoonlijke identiteit is immers dieper verbonden met hun club. Van hen zul je op Wikipedia geen lange lijsten tegenkomen van alle clubs waar zij supporter van zijn geweest, maar hoogstens een lange lijst van alle wedstrijden van hun club die zij in hun leven hebben bijgewoond.

Beide vormen van samenwerking – de doelrationele evengoed als de identiteits-gerelateerde – vragen om de bereidheid deel te willen uitmaken van een meervoudige actor, een team. Die bereidheid vraagt om oefening. En interessant genoeg kunnen we die oefening uitstekend opdoen tijdens het passeren van elkaar in de openbare ruimte. Die toevallige, vluchtige interacties bieden een geweldige voedingsbodem voor gemeenschapszin, veel meer dan we geneigd zijn te denken.
Dat ontdekte ik deze zomer op vakantie in Wales. De wegen – in schaars bewoonde gebieden ook veelal de doorgaande wegen – zijn daar smal, niet meer dan één enkele rijstrook. En dan ook nog een behoorlijk smalle rijstrook, aan beide zijden omzoomd door muren, struiken en bossages die het zicht belemmeren. Passeren is onmogelijk. Daarvoor moet uitgeweken worden naar een passeerplek, waarvan er dan gelukkig wel weer behoorlijk veel zijn. Maar je rijdt daar noodgedwongen voorzichtig en buitengewoon alert, voortdurend anticiperend op een eventuele tegenligger, vooral in bochtige trajecten waar je een tegenligger pas op het laatste moment zult kunnen zien. Je rijdt er steeds met de bereidheid achteruit te moeten rijden, terug naar de laatste passeerplek die je zojuist voorbijgereden bent. Daar ontwikkel je ook een kortetermijngeheugen voor. Eventuele tegenliggers doen dat ook.

Het effect is dat je rijdend in Wales voortdurend de helft van een imaginaire meervoudige actor bent. Je rijdt niet alleen. Nooit. Zelfs niet als je kilometerslang niemand tegenkomt. Je oefent daardoor voortdurend je vermogen om lid te zijn van een team, om doordrongen te zijn van het besef dat de weg niet van jou alleen is. Je leert daar op een volstrekt vanzelfsprekende manier dat je de weg met anderen deelt, met vreemden, onbekenden, mensen die je daarvoor en daarna nooit meer zult tegenkomen, maar met wie je daar op die smalle wegen onontkoombaar verbonden bent, samen een anoniem team bent.
Ik kan me niet anders voorstellen dan dat die ervaring iets met je doet. Wie in Wales leert rijden zal als vanzelf bereid zijn om te delen, zal bedachtzaam en alert aan het maatschappelijke verkeer meedoen. Wie in Wales leert rijden zal zich bewust zijn van het primaat van de gemeenschappelijkheid, van het gegeven dat je eerst elkaars ruimte moet organiseren voordat je toe kunt komen aan het vervolgen van je eigen traject.
We hebben, als je het zo bekijkt, een grote kans laten liggen in ons overgeorganiseerde kikkerlandje waar we voor iedereen een eigen rijbaan hebben gecreëerd, zodat niemand meer hoeft te zorgen voor onze gemeenschappelijkheid en iedereen slechts aandacht hoeft te hebben voor het eigen traject. De enorme onafhankelijkheid die dit sterke individualisme met zich meebrengt heeft een prijs. We zien immers alleen de last nog maar die anderen voor ons betekenen, omdat ze ons hinderen in het najagen van ons eigen traject. We zien de ontworpen gemeenschappelijkheid van al die brede rijbanen niet meer. We hoeven ons persoonlijk immers ook helemaal niet meer voor die gemeenschappelijkheid in te spannen.

Zullen we terug moeten naar die smalle, ineffectieve en inefficiënte holle Welshe wegen? Wat een ironie.
