Op je woorden letten

Een enkele keer kom ik het woord “taalpolitie” tegen, als het over praktische filosofie gaat. En hoewel ik mijn werk niet associeer met het machtsmonopolie dat de politie heeft, klopt het wel dat veel van wat ik als filosoof in concrete praktijken doe, is op de woorden letten. Welke woorden gebruiken we gedachteloos? En wat gebeurt daardoor in ons doen en laten dat we beter zouden kunnen voorkomen?

Ik voelde me wel een beetje de taalpolitie toen ik onlangs bij een werksessie van StroomOP aanwezig was. Ik mocht een filosofische aftrap verzorgen waarin ik wat preventiewerk deed rondom twee stilzwijgende vanzelfsprekendheden in het onderwijs die wat mij betreft nogal dubieus zijn. Ten eerste de gewoonte om jongeren leerlingen te noemen en ten tweede de vanzelfsprekendheid waarmee we denken dat onderwijs een instrument is, een middel om jongeren op een bepaald niveau af te leveren.

We moeten zien te voorkomen dat we een mensenleven onnadenkend in twee stukken hakken, met een eerste deel waarin er voor onze jongeren slechts één duidelijke hoofdtaak is weggelegd: dat ze moeten leren! We kunnen het cognitieve, zo betoogde ik, niet scheiden van het lichamelijke, emotionele, sociale en existentiële. Ontwikkeling betreft altijd de hele mens, hoewel we in ons huidige onderwijsbestel ons best doen om het cognitieve te isoleren. Daardoor oefenen onze jongeren zich jarenlang in één rol: die van leerling. Ze gaan pas aan als ze een duidelijke opdracht krijgen, willen precies weten wat er getoetst gaat worden, leren ook alleen maar voor de toets en hangen de vlag uit als het examen is gehaald. Gelukkig nooit meer leren! Wat o zo jammer is, omdat iedereen die oud genoeg is weet dat je een leven lang blijft leren. Laten we dan alsjeblieft zorgen dat leren een leuk bijproduct blijft en geen verplichtende leerlast. Noem jongeren jongeren – hele mensen, geen leerlingen.

Dat wordt gemakkelijker als we stoppen met het idee dat onderwijs een instrument is. Onderwijs lijkt meer op dansen dan op schilderen, zo betoogde ik. Schilderen is een activiteit met een natuurlijk einde, op het moment dat het schilderij klaar is. En schilderen heeft zijn waarde in het resultaat: je hebt goed geschilderd als het schilderij mooi is geworden. Dansen werkt heel anders. Dansen heeft geen natuurlijk einde. Je kunt altijd door blijven gaan en zult altijd om een externe reden stoppen met dansen. Bijvoorbeeld omdat de muziek is afgelopen, of omdat je uitgeput bent, of even iets wilt drinken. En verder blijft er na het dansen niets over. Hoewel je al dansend een dans realiseert, is de dans geen resultaat, geen eindproduct. Dansen heeft zijn waarde alleen in het dansen zelf. En zo is het ook met onderwijs. Echt! Hoe langer ik daarover nadenk hoe zekerder ik hiervan ben.

In de huidige neoliberale tijden zijn we echter zo gewend geraakt om te denken dat het om de resultaten gaat, dat we dit dwaalidee bijna niet meer uit de taal van professionals kunnen krijgen. Dat viel me vooral ook op in het gesprek dat na mijn inleiding ontstond. De vanzelfsprekendheid waarmee professionals met de beste bedoelingen de woorden van hun instituties gebruiken, zoals in zo’n vanzelfsprekende opmerking als “uiteindelijk moet zo’n gezin het wel zelf doen”. Want wat is ‘het’? Wanneer is ‘uiteindelijk’? Hoe onafhankelijk is ‘zelf doen’? En waarom ‘moet’?

Prachtig contrasterend daarmee was het taalgebruik van de Fixers. Zij laten het perspectief van de jongeren nooit los, maar hebben de taal van de instellingen in de keten allang en volledig losgelaten. Als je daar goed op let, hoor je het in alles wat ze zeggen. En zie je het in wat ze doen, dat vooral.

[Deze blog heb ik geschreven voor de nieuwsbrief van StroomOP.]

1 Reactie

  1. Heerlijk om te lezen, je schrijf hier boven!
    Veel Liefs voor jou,Jan. Van ooit zgn juf, die samen met de kids de wereld ging ontdekken.
    Wat een feest! Have a charm of days ahead.
    Liefsforyou, Kitty

Reacties zijn gesloten.