Er zijn zoveel mensen waaraan we niet denken als we aan leraren denken. En dat is best jammer, dat we van ‘leraar’ zo’n geprofessionaliseerde functie hebben gemaakt. Dat was het leidende idee van mijn bijdrage ‘Leren van baby’s en stervenden’ aan het boek Zelf aan zet. En in die lijn doordenkend kunnen we ook iets van baby’s en stervenden over gezondheid leren.

Er was een tijd dat we dachten dat we gezondheid zouden kunnen definiëren in termen van een lichaam dat zonder gebreken goed kan functioneren. Denk aan een vergelijking met een broodrooster, een piano of een auto die goed functioneert, die ook kapot kan gaan, maar dan ook weer gerepareerd kan worden. Gezondheidszorg, zo dachten we toen, was een vorm van ‘reparatiekunde’: geneeskunde. Je lichaam doet het of het doet het niet, en als je lichaam niet naar behoren werkt, dan moet het genezen worden.
Inmiddels weten we dat gezondheid een veel ingewikkeldere toestand is. Gezondheid is geen eigenschap van een al dan niet functionerend lichaam, maar van een veel complexere werkelijkheid. Niet alleen het lichaam, maar ook de geest telt mee, en veel belangrijker nog, ook de omgeving – zowel de fysieke, materiële omgeving als de sociaal-emotionele en culturele omgeving. Functioneren doe je namelijk altijd in een omgeving, waardoor je wel degelijk gezond kunt functioneren ook al heb je lichamelijke gebreken, zoals, bijvoorbeeld, een chronische ziekte als reuma of diabetes. Chronische ziektes zijn vaak, of misschien zelfs wel per definitie, niet te genezen, en precies dat betekent dat we een ander begrip van gezondheid nodig hebben.
Gezondheid is niet hetzelfde als de afwezigheid van gebreken. Want vraag je maar eens af wat voor begrip van ‘gebreken’ je dan nodig zou hebben. Niet kunnen praten, niet kunnen lopen, niet zelfstandig kunnen eten… Dat zijn toch serieuze gebreken, zou je denken. Maar niemand die dit gebreken noemt als je het over een baby hebt. Als een baby voor het eerst een paar seconden kan zitten, of staan, of een eerste woordje murmelt, dan klappen we al bijna onze handen stuk. Zó geweldig vinden we ze. Zodra we ons dit realiseren, helpen baby’s ons dus anders te kijken naar gezondheid.
En ook de stervenden kunnen ons een andere visie geven op gezondheid. Vroeger dachten we dat een gezonder leven en een langer leven zo’n beetje hetzelfde was. We gingen immers veel te vroeg dood, dus het werk in de gezondheidszorg draaide vooral om de inspanningen die konden helpen het leven langer te laten duren. Maar dat lijkt nu niet meer te gelden. Ouderen worden tegenwoordig vaak té oud. Er zijn genoeg oude mensen die liever zouden sterven. Voor hen hoeft het niet meer. Is het ongezond om te verlangen naar de dood? Dat is nog niet zo gemakkelijk te zeggen, want er kan van alles in de weg zitten, zoals eenzaamheid of pijn, of zoveel gebreken dat een beetje zelfstandig functioneren nauwelijks meer mogelijk is. Maar stel dat onze gezondheidszorg zó goed zou zijn dat we maar ouder en ouder kunnen worden. Stel dat de medische wereld er in zou slagen om veroudering niet meer te zien als een chronische toestand, maar als een te genezen ziekte. We zouden niet meer dood hoeven gaan. Ons lichaam zou eindeloos kunnen blijven functioneren. Ook dan – of zelfs juist dan – hebben we een ander begrip van gezondheid nodig, een begrip waarin sterven aandacht en zorg verdient. Niet om het te voorkomen, maar om het omarmen, om het verlangen naar de dood te kunnen begrijpen, om verlies een waardig onderdeel te laten zijn van een gezond, en dat wil zeggen eindig, leven.
