Er gaat veel goed in ons land, maar zo hier en daar is het wantrouwen zo groot dat de vrees het overneemt, omdat er wellicht wel eens iets mis zou kunnen gaan. En juist door die vrees en dat wantrouwen gaat er iets serieus mis.
Ik schreef er vorig jaar een blog over, toen ik juist terug van een vakantie in Wales kwam, waar ik de smalle, holle wegen had leren waarderen. Over die holle wegen schreef ik:

Ze zijn smal, niet meer dan één enkele rijstrook. En dan ook nog een behoorlijk smalle rijstrook, aan beide zijden omzoomd door muren, struiken en bossages die het zicht belemmeren. Passeren is onmogelijk. Daarvoor moet uitgeweken worden naar een passeerplek, waarvan er dan gelukkig wel weer behoorlijk veel zijn. Maar je rijdt daar noodgedwongen voorzichtig en buitengewoon alert, voortdurend anticiperend op een eventuele tegenligger, vooral in bochtige trajecten waar je een tegenligger pas op het laatste moment zult kunnen zien. Je rijdt er steeds met de bereidheid achteruit te moeten rijden, terug naar de laatste passeerplek die je zojuist voorbijgereden bent. Daar ontwikkel je ook een kortetermijngeheugen voor. Eventuele tegenliggers doen dat ook.
Ik betoogde dat er een mooi effect zou moeten zijn als je in Wales zou leren rijden. Je zou dan als vanzelf meekrijgen dat je altijd de helft bent van een imaginaire, meervoudige actor. Het zou heel vanzelfsprekend voor je worden dat je nooit alleen op de weg bent, zelfs niet als je kilometerslang niemand tegenkomt. Het is immers voortdurend mogelijk dat er ineens een tegenligger is. En dan moet je samen handelen, in het moment, beiden gastvrij, als ontmoetingsreizigers, in een spontaan geconstrueerde synchronie, ook al is die ander een vreemde, een totale onbekende – zoals wij, bijvoorbeeld, Nederlandse toeristen die daar nooit eerder gereden hebben.
Ik betoogde dat wij in Nederland een kans hebben laten liggen, omdat wij in ons overgeorganiseerde landje steeds zo helder mogelijk iedereen zijn eigen rijbaan bieden. Het effect, zo betoogde ik, is navenant. We worden van jongs af aan vertrouwd gemaakt met het idee dat wij alleen op de weg zijn, dat de andere weggebruikers geen verstandige, betrokken medemensen zijn, maar vreemden, dingen haast, voor wie wij slechts een hindernis zijn, zoals zij voor ons. We gaan allemaal alleen maar onze eigen weg en gelukkig – zo denken wij – is het zo geregeld dat wij die anderen zo min mogelijk tegenkomen. En mochten onze wegen zich toch eens een enkele keer kruisen, dan zijn de verkeersregels duidelijk, en is de ruimtelijke orde zo helder en ondubbelzinnig georganiseerd, dat wij ons niet druk hoeven maken over het gedrag van die anderen.

Samen een dubbelzinnige situatie in goede gezamenlijkheid oplossen, als een op elkaar inspelende meervoudige actor… nee, daar hoef je in Nederland niet bang voor te zijn.
Ik moest hier aan denken toen ik vanmiddag op de fiets dit mij nog onbekende verkeersbord tegen kwam: “PASSEERVAKKEN / GEBRUIK ZE!”
Het punt is niet eens zozeer dat de anonieme overheid ons oordeelsvermogen blijkbaar zo onderontwikkeld inschat dat ze vreest dat wij zelf niet op het idee zullen komen om die passeervakken te gebruiken. Nee. Het punt is veeleer dat dit verkeersbord tussen de regels door duidelijk maakt dat het vanzelf spreekt dat wij egocentrische individualisten zijn, dat wij alleen maar met onze eigen route bezig zijn en met niemand hoeven samenwerken. Dat hoeft ook niet, is blijkbaar het idee, want als wij allemaal alleen ons welbegrepen eigenbelang vooropstellen dan zal ieder voor zich die passeervakken gebruiken. Toch!?

Dear Jan..
Speciaal laatste gedeelte van ..hiervoor..,
Heb ik zitten grinniken, als het ware!
Dus weer een delight van jou !!
Thanks a lot , Kit op een warme dag in Huizen