Voor het boek Zelf aan Zet benaderde Lili Genee-Pirayesh – die ooit in Leiden met haar moeder colleges bij me volgde – 40 deskundigen die elkaar aan de hand van vijf vragen een estafettestokje doorgaven. Hier lees je mijn antwoorden op haar vragen.

Wat is de kern van jouw boodschap?
De kern van mijn boodschap is dat er in onze samenleving behoefte is aan een ander onderwijsbestel, een bestel dat onze talenten om elkaar te vertrouwen en zorg voor elkaar te hebben versterkt. De jongere en de oudere generatie mensen hebben elkaar namelijk heel hard nodig en daar heeft de natuur ons in feite uitstekend voor uitgerust. Niet zozeer door ons soortspecifieke instincten en specialisaties te geven, maar door ons taal te geven. Lichaamstaal, gebarentaal, maar ook de kenmerkend menselijke taal die verbaal, symbolisch, schriftelijk en conceptueel is. Die taal maakt het mogelijk elkaar te begrijpen zonder elkaar te bevechten of te overheersen. Laten we die taal dan ook inzetten om elkaar een stem te geven, om te leren luisteren naar elkaar, echt luisteren, zodat wij elkaars perspectief leren begrijpen, elkaar kunnen uitleggen wat ons dwarszit en kunnen verwoorden waar we naar verlangen, zodat we elkaars pijn en plezier leren voelen, elkaars ambities leren kennen. We zullen dat nodig hebben om onze gezamenlijke wereld duurzaam te kunnen vormgeven. Dat vraagt niet zozeer om taal- en rekenonderwijs dat sterk gericht is op technische controle en manipulatie. We moeten niet leren ontcijferen, maar leren vertellen en verbeelden. We zullen onze kinderen immers moeten leren zich een toekomst voor te stellen waarin ze de aarde – anders dan wij hebben gedaan – niet langer behandelen als een bodemloze hulpbron en een oneindige afvalbak. Laten we in het onderwijs duidelijk maken dat we van onze kinderen houden en dat we ze een wereld gunnen waarin het leven vriendelijker kan zijn dan wij het nu ervaren. Laten we hun hoofd en hun handen, maar vooral hun hart, helpen ontwikkelen.
Wat is de grootste misvatting?
De grootste misvatting in het onderwijs is de consequente doorvoering van een neoliberale visie op leren en ontwikkelen. Ons onderwijsbestel heeft van vorming en ontwikkeling een concurrentiestrijd gemaakt. We maken onze kinderen wijs dat ze volstrekt op zichzelf zijn aangewezen, dat de samenleving nu eenmaal een maatschappelijke ladder is en dat het hun opdracht is om zo hoog mogelijk te klimmen. We leren ze geloven dat er nu eenmaal winnaars en verliezers zijn, en dat dat geen kwestie is van toeval of geluk, maar het resultaat van hun eigen inspanningen. We moedigen ze aan om zichzelf te zien als een project waarin ze moeten investeren. En we maken dit niet alleen onze kinderen wijs, maar ook de ouders, de leraren, de beleidsmedewerkers, de bestuurders en de politiek. Ook de ouders worden aangemoedigd hun kind te zien als een investering, worden aangemoedigd te geloven in een concurrentiestrijd, waardoor niet alleen scholen, maar ook buurten, gemeenten, dorpen en steden aangemoedigd worden om in termen van competitie te denken over wat ze voor onze jongeren kunnen betekenen. Daardoor gaan we op alle niveaus winnaars en verliezers zien in plaats van lotgenoten die we heel goed zouden kunnen begrijpen en met wie we heel goed zouden kunnen samenwerken.
Wat gebeurt er als je deze belangrijke boodschap verwaarloost?
We zien de schade van ons failliete onderwijsbestel overal om ons heen. Er zijn vele tienduizenden thuiszitters die de afmattende schoolstrijd niet meer trekken. We zien gespannen ouders bang zijn voor de uitslag van de doorstroomtoets, omdat een vmbo-advies al te gemakkelijk ervaren wordt als een ramp. We zien opgejaagde kinderen die hun cijfers liever voor hun ouders zouden verbergen en die lijdzaam moeten toezien dat hun ouders tegenwoordig via de app toegang hebben tot het leerlingvolgsysteem. We zien een dramatisch lerarentekort omdat ook de leraren de schoolstrijd niet langer aan kunnen, waardoor het aantal mensen dat gekwalificeerd is om in het onderwijs te werken ontstellend veel groter is dan het aantal mensen dat nog in het onderwijs zou willen werken. We zien schoolbestuurders nare maatregelen nemen om leerlingen te laten ‘afstromen’ zodat de cijfers van hun scholen op peil blijven. En we zien de wachtlijsten in de jeugdzorg toenemen, onder andere zeker ook door de traumatische ervaringen die onze jongeren op school opdoen, al was het maar omdat er steeds meer schoolgerelateerde diagnoses gesteld maar niet behandeld kunnen worden.
Wat gebeurt er als je er wel aan werkt en wat is effectief?
Er is geen enkele reden om het onderwijs te zien als een concurrentiestrijd. Er zijn gelukkig allerlei scholen die experimenteren met ander, vernieuwend onderwijs. En laten we wel wezen: iedere school, iedere vorm van onderwijs is een experiment met onze kinderen, ook de vormen die allang bestaan en die we normaal zijn gaan vinden. We weten bijvoorbeeld allang, op basis van veel en steekhoudend onderzoek, dat ‘blijven zitten’ vooral grote nadelen heeft en vrijwel geen voordelen. Toch blijven we daar maar mee doorgaan, omdat we gewend zijn aan het leerstofjaarklassensysteem, waarin ieder kind van dezelfde leeftijd op hetzelfde moment in dezelfde snelheid dezelfde hoeveelheid stof te verwerken krijgt. Een behoorlijk bizar systeem zodra je tot je laat doordringen wat iedereen weet: dat alle kinderen zich op hun eigen manier en in hun eigen snelheid ontwikkelen. Experimenteren met kinderen is dus het probleem niet. Dat is de standaardsituatie voor al het onderwijs.
Er zijn gelukkig al heel wat scholen die laten zien dat onderwijs zonder leerstofjaarklassensysteem goed kan werken. (Zie de Vereniging van Ontwikkelingsgericht Inclusief Onderwijs voor voorbeelden: https://verenigingoio.nl/)
Bovendien zullen we wel moeten, omdat het geen optie is om onze kinderen op te leiden zoals we zelf zijn opgeleid. Wij hebben het immers fout gedaan. Wij hebben gezorgd voor een wereld waarin een veelvoud aan crises ons bijna te veel aan het worden is. Het klimaat, de fossiele energie, de biodiversiteit, de kwijnende democratie, de geopolitieke spanning, en ga zo maar door.
Maar het kan anders. En we weten immers al meer dan 50 jaar dat het radicaal anders moet. Dus kom op!
Verras jezelf ?
Ik kan mijzelf het gemakkelijkst verrassen door te kijken naar hoe baby’s, dreumesen en kleuters mij verrassen. Hun vermogen om ons te laten zien wat er echt toe doet, is fenomenaal. Hun vertrouwen in grote mensen is onovertroffen. Hun loyaliteit kent geen grenzen, net zomin als hun nieuwsgierigheid. Waarom? waarom? waarom? Ze vragen maar door, omdat ze willen begrijpen. En ze zijn op een jaloersmakende manier aanhankelijk. Waarom kunnen wij dat niet meer? Waarom hebben wij afgeleerd om zo blind op anderen te vertrouwen?
Kijk naar baby’s en hun ouders en je ziet hoe simpel het leven is, en hoe duidelijk is wat er echt toe doet.
Hetzelfde kom je tegen aan het eind van het leven, als mensen doodgaan. Iedereen weet op haar of zijn sterfbed wat er in het leven echt toe heeft gedaan. Laten we daarom meer luisteren naar de baby’s en naar de stervenden, naar hen die aan de voorkant of aan de achterkant dichtbij die lijn tussen dood en leven zijn. Laten we baby’s en stervenden in de scholen uitnodigen, laat hen eens een les verzorgen. Daar valt heel wat meer van te leren dan van al die rijtjes sommen en al die grammaticale dictee-oefeningen waarmee wij onze jongeren lastigvallen.
