Het hoger onderwijs heeft een probleem met de studenten, lees ik in Trouw van 15 januari jl. Ze zijn minder aanwezig bij colleges, lezen zich minder in en maken volop gebruik van kunstmatige intelligentie – of, tenminste, van wat daarvoor door moet gaan.
Het verschijnsel is niet nieuw. Een jaar of tien geleden moedigde precies dit verschijnsel mij aan me te gaan verdiepen in de onderwijsfilosofie. Ik schreef er een boek over, Gevormd of vervormd?, waarin ik o.a. pleitte voor een verplicht ‘tussendecennium’. Ik voel nu de noodzaak dit begrip opnieuw voor het voetlicht te brengen, omdat ik vrees dat de analyse van de betrokken onderzoekers, docenten en beleidsadviseurs voorbij dreigt te gaan aan wat het echte probleem is: namelijk, dat we onze jongeren zo lang mogelijk in het onderwijs willen vasthouden.

Als je de standaard gedachtegang uitschrijft, zal het gebrek aan logica je al snel verbijsteren. We worden ouder dan ooit, realiseren ons goed dat we een leven lang zullen blijven leren, beseffen dat de toekomst onbekend is en dat de veranderingen wereldwijd steeds sneller gaan, maar blijven toch vasthouden aan het waanidee dat onze jongeren eerst alles binnen de muren van het klaslokaal of de collegezaal moeten leren.
Onterecht menen we dat ons mensenleven uit twee delen bestaat. Een eerste deel waarin er voor iedereen één duidelijke taak is: leren, leren, leren. Zo lang mogelijk, maar ook zo veel en zo snel mogelijk. Want daarna komt het tweede deel, waaraan we pas met een voltooide opleiding kunnen beginnen, waarin we niet echt meer hoeven leren omdat we inmiddels over een volledige verzameling kennis en vaardigheden beschikken.
Eh?? Dit gelooft toch niemand meer!
Maar waarom houden we dan vast aan zulke onbegrijpelijke beleidsmaatregelen als het zo goed mogelijk laten aansluiten van hoger onderwijs op middelbaar onderwijs, gratis openbaar vervoer voor studenten, aaneensluitende studiefinanciering tot maximaal 10 jaar en de langstudeerboete. We verleiden onze jongeren met al die maatregelen tegen hun zin in om zich zo lang mogelijk binnen een onderwijsinstelling op te sluiten. Velen slagen er inmiddels overigens wel in om aan dit irrationele regime te ontsnappen door een tussenjaar op te nemen. Alleen maar een jaar, een pauze. Even je leven in de wachtkamer.
Het tussendecennium waar ik voor pleit, is echt iets anders. Het is zó lang dat het woordje ‘tussen’ zijn betekenis verliest en alleen nog maar herinnert aan die tijd dat we naar een onderbreking van het leren snakten. In het decennium na je middelbare school moet je gewoon echt aan het werk, deelnemen aan de samenleving. Op een onvoltooide manier, dat wel. Maar dat is terecht en onontkoombaar, want ook wij, volwassenen en ouderen, weten al lang dat het hele leven een onvoltooid experiment is waarvoor helemaal geen volledige vooropleiding bestaat.
Voor het hoger onderwijs is er, weliswaar pas na tien jaar, een hoogst welkom geschenk. Gemotiveerde studenten! Studenten die niet moeten leren, die hun leven niet nog vier of vijf jaar rondom tentamens zullen moeten organiseren, maar ervaren, volwassen mensen die willen leren, die tijdens dat decennium hun eigen handelingsverlegenheid en hun eigen leervragen ontdekt hebben.
We kennen dit soort studenten in het hoger onderwijs allemaal. Het zijn studenten die bij colleges aanwezig zijn, die zich inlezen en zelfs veel meer dan nodig en die er niet over zullen piekeren om kunstmatige intelligentie te gebruiken. Zij zijn er immers op gebrand om nu juist hun eigen intelligentie verder te ontwikkelen.
Dus, onderwijssector: waar wachten we nog op? Zulke studenten willen we toch allemaal! En die pauze van tien jaar kunnen we ook zelf heel goed gebruiken, om de druk van de ketel te halen, om de waanzin zichtbaar te maken van die efficiënte en effectieve ratrace waar we onszelf allemaal in gevangen houden.

Dit idee wordt heel mooi vertolkt door Robert Pirsig in “ZEN en de kunst van het motoronderhoud”.
Dat boek gaat door voor een cultus boek, maar ik ken eigenlijk alleen mensen die niet verder zijn gekomen dan de helft.
Het echte leren begint als je iets bij de kladden hebt dat je echt interesseert en waarin je je vastbijt. Dan kom je erachter dat overheidsonderwijs erop gericht is je km te vormen tot naprater en copieermachientje.
Ja, een heerlijk boek dat ik twee keer gelezen heb. Helemaal, en met veel plezier, maar al wel lang geleden.
In mijn herinnering gaat dat boek vooral over kwaliteit, maar inderdaad ook over enthousiasme – dat prachtige woord, dat zoiets betekent als ‘geestdrift’, in de greep zijn van een innerlijke God. En daar ontbreekt het in het huidige middelbare onderwijs wel, aan aandacht van leraren voor wat leerlingen uit zichzelf beweegt.
Ik schrijf er in *Gevormd of vervormd?* over:
“Enthousiasme is iets anders dan intrinsieke motivatie. Enthousiasme overstijgt of ontkomt aan de dichotomie tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie. Enthousiasme laat op een bepaalde manier zien dat die dichotomie een conceptualisering van onze psyche impliceert die niet zo vanzelfsprekend is als zij misschien lijkt. Die conceptualisering vooronderstelt namelijk een atomistisch beeld van onze psyches, alsof ik de mijne heb en jij de jouwe en alsof die in essentie niets met elkaar te maken hebben. Dat vervormt echter de aard van onze beweegredenen. Als ik ergens voor ga, dan is het weliswaar het geval dat ik daar inderdaad zelf voor zal moeten en willen gaan, maar mijn beweegredenen betrekken zich natuurlijk wel degelijk op wat ik buiten mijzelf aantref. Dat ben jij, onder andere.”
Toen ik in mijn onderwijsloopbaan halverwege was verscheen Paolo Freire – De-schooling society (1970) en ik had aan de titel genoeg! De doelstelling om de helft van onze jeugd naar het hoger onderwijs te krijgen de zg. OECD Lissabon doelstelling 2000, was irreëel maar ook onwenselijk. Als het om onderwijsbeleid gaat schiet de fantasie tekort: meer van hetzelfde is het motto en niemand vraagt zich af of we jonge mensen echt wat te bieden hebben. De wal zal het schip moeten keren want het belangenconglomeraat is tot verandering niet in staat.
Mooi, ja, Paolo Freire over onderwijs.
En de gedachteloosheid waarmee in het onderwijs gedacht wordt dat meer onderwijs beter is, is inderdaad stuitend. Ik maak in *Gevormd of vervormd?* een vergelijking met het eten van pannenkoeken. Eéntje is heerlijk, twee is lekkerder, drie is meestal nog lekkerder, maar op een gegeven moment gaat die logica niet meer op. Je moet toch niet denken aan een dertiende pannenkoek als je er al twaalf op hebt.
Gaan werken na de middelbare school is een grote aanrader. Ga van baantje naar baantje of van passie naar passie en leer jezelf kennen. Helemaal goed, zinvol en het voorkomt veel ellende en teleurstelling. Er is één maar: voor vrouwen is na dat decennium vaak de leeftijd bereikt waarop ze kinderen willen of krijgen. Het zou fijn als er een oplossing zou komen waarin dat kan, en ze toch kunnen studeren.
In mijn boek *Gevormd of vervormd?* pleit ik voor een vouchersysteem dat iedereen recht geeft op een jaar of zeven post-initieel onderwijs, wanneer dat dan ook maar in één of meerdere periodes in je leven goed lijkt te passen. Dat lost natuurlijk bij lange na de problematiek niet op van wanneer zwangerschappen en kinderen in het leven van vrouwen – en mannen – passen. Maar dat we dit een probleem noemen heeft vooral ook te maken met de dominantie van een economisch gedreven arbeidsmarktperspectief op de zin van ons bestaan. (Had ik daar ook maar een oplossing voor… ;-))
Ik zou het niet verplicht willen maken, we verschillen nu eenmaal allemaal. Er zijn ook zeer gemotiveerde studenten die wel degelijk nieuwsgierig zijn. Maar we kunnen wel de lat verhogen, lat gebaseerd op motivatie en nieuwsgierigheid en ambitie om zichzelf te willen ontwikkelen. Is die ambitie er niet? Geen enkel probleem en dan ga je gewoon werken op basis van wat je nu kan.
Ik heb dat zelf gedaan, op mijn 24e gestart met opleiding verpleging en op mijn 34 met de Universiteit voor Humanistiek en ontzettend genoten van alles wat ik daar mocht halen, omdat ik het zo goed kon linken aan wat ik had beleefd op verschillende plaatsen in mijn leven en de samenleving.
Ik begrijp het verzet tegen verplichten, Anne Marie. Dat past ook helemaal niet in mijn straatje, maar het zou mooi zijn als we voor elkaar zouden krijgen dat de vanzelfsprekendheid waarmee we nu geacht worden om een zo hoog mogelijke opleiding te volgen, vervangen zou kunnen worden door de vanzelfsprekendheid dat je na je middelbare school gewoon eerst een jaar of tien iets anders gaat doen voordat je toe bent aan post-initieel onderwijs.