31 januari: Bildung in het universitair onderwijs

Tijdens de jaarlijkse Onderwijsdag van de Radboud Universiteit mag ik een masterclass verzorgen. 

Ik wil het tijdens die masterclass met docenten hebben over de manier waarop de persoon die zij zijn prominent aanwezig kan zijn in de alledaagse praktijk van hun onderwijs, of dat nu in de meester-gezel relatie is met masterstudenten en promovendi, of tijdens colleges voor eerstejaars. Ook wil ik in gesprek over de rol die zij als docent tussen hun collega’s spelen. 

Ik wil het ook graag met die docenten hebben over wat volgens mij een groot probleem is in het huidige universitaire onderwijs: studenten hebben in het voortgezet onderwijs nauwelijks aan Bildung gedaan en hebben voor ze aan hun studie beginnen nauwelijks de kans gehad om werkervaring op te doen. Uiteraard zal ik het daarbij hebben over mijn boek Gevormd of vervormd? Een pleidooi voor ander onderwijs dat de dag na deze masterclass zal verschijnen.

17 januari: Ik & social media

Het Bildung Platform Nijmegen is een studenteninitiatief dat ruimte biedt aan mensen van iedere achtergrond (mbo, hbo, wo) om met elkaar te oefenen in het verder ontwikkelen als mens en medemens, in een verantwoordelijke relatie met zichzelf, elkaar en de samenleving waarvan zij deel uitmaken. Het platform zet zich op dit moment op de kaart met een kick-off en een viertal try-outs. Ik mag de laatste try-out verzorgen. 

Zoals iedere try-out wordt ook deze een gevarieerde happening, waarin vooral ook de aanwezigen met elkaar in gesprek en aan het werk zullen zijn. Ik ga nog niet te veel verklappen, maar wil je van harte uitnodigen, vooral als je in Nijmegen e.o. studeert. 

Social media is een integraal onderdeel van ons leven geworden. Wij verbinden ons tegenwoordig vooral ook op een digitale manier met onszelf, elkaar en de wereld. Wat betekent dat voor ons leven? Staan die sociale media in de weg? Hebben ze zichzelf tussen ons in gedrongen als een obstakel of juist als een brug? Zijn ze een risico of een kans? En zijn ze wel zo nieuw en anders dan de media waarmee wij het al sinds de prehistorie doen: muurschilderingen, kleitabletten, perkamentrollen, brieven, boeken, kranten?

Eerst werken, dan studeren

Het automatisme om na het voortgezet onderwijs te gaan studeren moet de wereld uit. We hebben ons initiële onderwijs veel te lang gemaakt. Dat wakkert onnodige angst voor de arbeidsmarkt aan. Bovendien berooft het de universiteit van de broodnodige studenten met een prangende leervraag. Ga eerst eens in een tussendecennium naar zo’n vraag op zoek. Ga werken.

Met een bezwaard hart houd ik me tot nu toe verre van WoinActie. Ondanks mijn sympathie voor mensen die in verzet komen tegen de desastreuze werkdruk lukt het me niet te pleiten voor meer geld voor de universiteiten. De reden is eigenlijk heel simpel en identiek aan de reden waarom ik ruim 35 jaar geleden als Vriend van Amelisweerd betrokken was bij de bezetting van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Meer asfalt leidt tot meer mobiliteit leidt tot meer auto’s leidt tot meer files leidt tot nog meer asfalt. Dat is een foute cirkel die je moet zien te doorbreken. Zo’n cirkel zie ik ook in het hoger onderwijs: meer geld voor de universiteiten leidt tot meer academisch onderwijs leidt tot meer studenten leidt tot meer werkdruk. Daar schieten we niets mee op.

Terwijl de oplossing simpel is, net als in het verkeer. Laat de auto staan. Gebruik hem alleen als je beslist ergens naar toe moet, zo dringend dat je daar zelfs een file op een tweebaansweg voor over hebt. Dat hadden we jaren geleden moeten bedenken.

De analogie voor het hoger onderwijs is deze: ga niet studeren. Ga gewoon werken. Het betreden van de arbeidsmarkt is namelijk altijd lastig. Dat heeft nauwelijks met de hoogte van je diploma te maken. Dat blijft lastig, ook als je superhoog opgeleid bent. Of als je overgekwalificeerd bent. Je zult het merken als je solliciteert: ze vragen om ervaring. En ervaring doe je niet op in het huidige onderwijs. Dat is een reden te meer om zo snel mogelijk te gaan werken. Dan doe je in ieder geval ervaring op.

Natuurlijk gaat het doorbreken van zo’n cirkel niet vanzelf. Het zal pijn doen. Er zal veel verzet zijn. We zullen door een dal moeten gaan, een dal waarin de arbeidsmarkt zich geen raad zal weten met al die vroege schoolverlaters die niet gaan studeren. Maar ik zie meer heil in dat dal dan in de wal die het schip zal moeten keren als we straks met 40 procent hoger opgeleiden zitten wier enige praktische ervaring is dat ze onbruikbaar abstracte stof op een vast moment hebben leren reproduceren. 

En ik zie daarnaast een belangrijk voordeel voor gezond en uitdagend academisch onderwijs. Mensen zullen in hun werk namelijk zo af en toe op een verlegenheid in hun eigen functioneren stuiten. Ze zullen beseffen dat ze iets niet begrijpen of iets niet kunnen. Zo’n besef zou zomaar kunnen uitgroeien tot een leervraag, hun eerste eigen, authentieke leervraag. Geen vraag die al lang voor ze klaarligt in het zogenaamd probleemgestuurde, studentactiverende onderwijs, maar een vraag die echt van henzelf is, waar zijmee zitten, buiten de collegezalen. Dat is wat het academisch onderwijs nodig heeft: mensen die staan te trappelen om te komen studeren omdat ze zelf met hun eigen prangende leervraag zitten.

Zulke studenten kennen we tegenwoordig alleen nog in het post-academische onderwijs, het onderwijs voor mensen die in hun werk ontdekken dat ze eigenlijk te vroeg met studeren zijn gestopt en die nu in inspirerende en veeleisende duale trajecten tegelijkertijd leren en werken. Dat zijn voor docenten geweldige studenten. Laat die maar komen! Daar heb je er nooit te veel van. Daar werk je met plezier harder en langer voor. Omdat je ook zoveel van ze krijgt, omdat ze zoveel komen brengen. 

Zulke studenten worden op dit moment aan de universiteit enorm gemist. Vandaar dat ik voor een verplicht tussendecennium pleit. Eerst gaan werken. Ervaring opdoen. Ontdekken wat je niet begrijpt. En dan pas het post-initiële onderwijs in. In een duaal traject. Omdat jij het wil. Echt wil.Zelfs als je er in de file op een tweebaansweg naar toe zou moeten rijden.

Dit opiniestuk verscheen eerder in de Volkskrant.

Proef

In onze kennissamenleving worstelen wij met onbedoelde kwalijke bijeffecten. Die hebben deels te maken met de opmars van expertise, dat wat maakt dat leken en deskundigen onverstandig met elkaar omgaan. En het heeft, fundamenteler, te maken met het onderwijs, met hoe in dat onderwijs ongelijkwaardigheid wordt bekrachtigd. De oplossing: moedig iedereen aan om telkens weer zelf de proef op de som te nemen. Op een niet-schoolse manier.

Het is een prachtig woord, proef. Als je het een aantal keren na elkaar uitspreekt of het langzaam van je tong laat rollen is het ook best een raar woord. Proef.
P r o e f… probeer het maar eens.

Gedaan?
Dat was nu een proef.
Je stuit op een bewering, een bewering over wat het geval is. Zo’n bewering is altijd ook een uitnodiging tot instemming. Meestal blijft die uitnodiging impliciet. “Morgen regent het de hele dag.” “In China is een genetisch gemanipuleerde baby geboren.” “Sinterklaas is helemaal geen leuk kinderfeest meer.” Soms is de uitnodiging expliciet, zoals ik hierboven deed. Het kan een letterlijke uitnodiging zijn, maar het is ook mogelijk dat de bewering jouw twijfel aanwakkert of je nieuwsgierigheid wekt. Dan krijgt de bewering jouw instemming niet cadeau, maar span je je eerst in om te kunnen bepalen of die bewering jouw instemming wel waard is.
Zo begint verstandig zijn. Je gelooft iemand niet zomaar, maar onderzoekt de redenen die je hebt om hem te geloven. Je neemt, zoals het cliché dan luidt, de proef op de som.

Rondom die proef op de som is onze kennissamenleving het spoor behoorlijk bijster. Ik wijs daarvoor in mijn werk twee boosdoeners aan, boosdoeners die veel met elkaar te maken blijken te hebben. De ene boosdoener heet expertise, dat wat maakt dat deskundigen en leken onverstandig met elkaar omgaan. Want expertise suggereert dat je als leek zelf de proef op de som niet meer hoeft te nemen. De deskundige heeft het al voor je uitgezocht. De bewering vraagt alleen nog maar om jouw instemming. Er wordt gewoon ontzag van je gevraagd voor de expertise van de deskundige. Je bent als leek immers echt niet meer in staat zelf de redenen nog te onderzoeken die de deskundige heeft om te beweren wat hij beweert. De proef is blijkbaar al genomen. En de proef is zo complex dat jij hem zelf niet eens kúnt nemen.
Proefondervindelijk is de juistheid van de meeste beweringen voor gewone mensen helemaal niet meer vast te stellen. Als leek heeft onze kennissamenleving je daarvoor iets anders in de plaats gegeven: wetenschappelijk bewijs. Dat belooft een veel grotere zekerheid dan jij met je beperkte persoonlijke ervaring ooit proefondervindelijk kunt vaststellen. Maar het berooft je ondertussen wel van jouw persoonlijke betrokkenheid bij veel van wat je geacht wordt te geloven. En het levert je uit aan deskundigen die hun proeven hebben vervangen door methoden, door experimentele designs die wetenschappelijke output garanderen.

De andere boosdoener is het onderwijs. Daar zit in feite het fundamentelere kwaad. Want enerzijds zorgt dat onderwijs voor de expertise die er voor zorgt dat leken en deskundigen onverstandig met elkaar omgaan. Dat is de prijs die we als hoogontwikkelde samenleving betalen voor het toelaten en aanmoedigen van arbeidsdeling in het domein van de kennis. Ons welzijn is die prijs misschien waard, zoals intellectuelen als Steven Pinker krachtig betogen.
Maar anderzijds, als onderwijs te nadrukkelijk op expertise aanstuurt, als het niet kritisch onderzoekt wat de functie en de status van kennis is, als het onverstandig met proeven omgaat, dan gebeurt er in dat onderwijs nog iets, iets dat echt schadelijk is. In zulk onderwijs bekwamen docenten en leerlingen zich namelijk jarenlang in die onverstandige omgang. Dag na dag bekrachtigen ze de ongelijkwaardige, afhankelijke, hiërarchische verhouding tussen zij die het weten en zij die het nog moeten leren. Dag na dag wennen dan degenen die niet zo goed in leren zijn – althans niet zo goed in het schoolse leren – aan het gegeven dat zij terecht in die afhankelijke en ongelijkwaardige positie van laagopgeleiden zullen blijven steken. Zij zijn niet goed in schoolse proefwerken. Zij zullen nooit proefondervindelijk kunnen vaststellen wat zij al dan niet zullen moeten geloven. Zij moeten het maar aannemen, omdat de deskundigen het zeggen.
Voor hun is er geen proef op de som.
En dat wreekt zich. Want proeven, de proef op de som nemen, is een alledaagse, volstrekt normale, menselijke manier van omgang met de wereld, met elkaar en met jezelf. De wereld, en jouw medemensen, en jouw emoties nodigen je immers constant uit om het al dan niet met ze eens te zijn. Dat proef je dan, met precies dat beetje afstand dat je bijvoorbeeld nodig hebt om vast te kunnen stellen of jouw gastheer genoeg suiker in jouw koffie heeft gedaan. Je neemt een slokje, en proeft.
P r o e f t…
Ja, precies goed.
Of nee, graag nog een schep erbij. “Want ik ben een zoetekauw, hoor.”

Die vaardigheid, om zelf meningen te leren proeven, om beweringen proefondervindelijk te leren beoordelen… Zullen we die vaardigheid weer radicaal centraal gaan stellen in het onderwijs. Dat vraagt om een radicale herziening van ons onderwijsbestel. En om een radicale herwaardering van waar het in het onderwijs om gaat, waarvoor onderwijs eigenlijk bedoeld is.
Daarover gaat mijn nieuwe boek Gevormd of vervormd. Een pleidooi voor ander onderwijs.
Over de inhoud van dat boek kun je binnenkort meer lezen op een nieuwe website: pleidooivooranderonderwijs.nl (Nog even geduld, aub.)