De ironie van hoger opleiden

Alexander Rinnooy Kan constateert in de Volkskrant van 26 juli jl. terecht dat het huidige onderwijsstelsel ongewild bijdraagt aan de tweedeling in Nederland. Hij heeft ook gelijk dat die tweedeling een lijn volgt die door het onderwijs in onze samenleving getrokken wordt, de lijn die hogeropgeleiden van lageropgeleiden scheidt. En ik geef hem ook gelijk dat hier sprake is van een ironisch resultaat van een eertijds om emancipatoire redenen zwaarbevochten keuzevrijheid. Die ironie is een terugkerend fenomeen in de moderne samenleving, een samenleving die meent te kunnen sturen op resultaat.

Juist daarom wil ik Rinnooy Kan en gelijkgestemde, verontruste bestuurders graag alvast wijzen op de volgende zege die deze moderne ironie zal boeken. Want als je niet oplet, sluipt een volgend ongewild en onbedoeld effect het voorgestelde beleid binnen.

Er zijn twee passages in Rinnooy Kans betoog die ik in dit verband een beetje naïef en dubieus vind. Zo constateert hij: “Wie hoger is opgeleid, heeft significant betere kansen op een leukere baan, een betere gezondheid en een langer en gelukkiger leven.” Tja, dat zal best. Maar dan wil natuurlijk niemand bij de lageropgeleiden horen. En dat dringt verderop glashelder tussen de regels door, zonder dat Rinnooy Kan zich lijkt te realiseren wat hij zegt: “Sociaal-economische mobiliteit”, zo schrijft hij, “is een wezenskenmerk van een fatsoenlijke samenleving, en juist die wordt hier bedreigd. Overal ter wereld is het juist het onderwijs dat de basis moet leggen voor een samenleving met gelijke kansen voor iedereen.”

Over wat voor mobiliteit hebben we het hier? Inderdaad. Lieve mensen, zorg er alsjeblieft voor dat jouw kinderen niet lager opgeleid zijn! Die veroordeling van het VMBO kennen we. Zelfs HAVO is geen optie, zoals Martje van der Burg haar roman over dit soort ontspoorde ambities noemde. Uiteraard is deze mobiliteit vanuit het perspectief van een fatsoenlijke samenleving echter principieel tevergeefs: hoe je het ook draait of keert, zelfs als iedereen hoogopgeleid is, zal toch de ene helft lager opgeleid zijn dan de andere.

Er moet daarom veel meer aangepakt worden dan de vrije schoolselectie voor ouders. Een serieuze brede brugklas gaat niet helpen als mobiliteit alleen maar betekent dat niemand lageropgeleid behoort te willen zijn. De scheiding in hoger en lager onderwijs moet zelf op de schop. En dat kan als we in het denken over onderwijs twee belangrijke stappen kunnen zetten en daarop aansluitend in de samenleving aan onze mentaliteit werken.

De eerste stap is te beseffen dat we niet uitsluitend over de kwaliteit van het onderwijs moeten spreken in termen van wat je na dat onderwijs kunt. Die nadruk op het einddoel verarmt het onderwijs en overschat het belang van de rol van een opleiding, van het kwalificeren van leerlingen voor de arbeidsmarkt. Net zo min als je als leerling leeft om te leren, leef je als volwassene om te werken. Je leert niet voor de school, en niet voor je werk, maar primair voor het leven.

Daar sluit de tweede stap op aan. Leven is niet iets dat pas na de school begint. Kinderen leven nu. Als kinderen. Op school. Zorg er dan voor dat ze op school merken dat leven iets anders is dan vervelende dingen verdragen tot later. Die 50-er jaren mentaliteit heeft ons nu lang genoeg parten gespeeld. Op school verblijf je niet voor later, net zo min als je op aarde verblijft voor later.

Om welke mobiliteit gaat het dan in een fatsoenlijke samenleving? Het antwoord hierop ligt zo simpel voor de hand dat bestuurders er steevast overheen kijken. Het is de mobiliteit van jonger naar ouder, de mobiliteit door de generaties heen. Van kind naar volwassene net zo goed als van volwassene naar oudere. Die mobiliteit – daar snappen we maar weinig van in onze moderne kenniseconomie. Dat wreekt zich in onze gebrekkige omgang met de ouderdom. En het wreekt zich in het onderwijs. Terwijl het juist op school zo gemakkelijk zou moeten zijn. Want daar, in de lokalen net zo goed als in de aula en op het schoolplein, ontmoeten de verschillende generaties elkaar. Kunnen we daar, in het onderwijs, gewoon eens aan onze kinderen laten zien hoe je als volwassene omgaat met het onderscheid tussen oud en jong? Leer kinderen zien dat “jong” iets anders betekent dan “laagopgeleid”. Leer ze van hun jeugdjaren houden. En laat zien dat wij van onze volwassenheid houden. En dat dat niets te maken heeft met “hoogopgeleid”.

2 gedachten over “De ironie van hoger opleiden”

  1. Mis een belangrijke categorie die last heeft van het huidige onderwijssysteem: jongeren/mensen met een beperking! Blijven door hun beperking vaak zonder of met ‘n kleine baan. En zijn hierdoor én de hoge zorgkosten waar zij mee worden opgezadeld bij voorbaat veroordeeld tot een (zeer) laag besteedbaar inkomen, zonder uitzicht op verbetering!

    1. Het probleem voor zowel de lager opgeleiden als de mensen/jongeren met een beperking zit naar mijn idee dieper dan een lage beloning of besteedbaar inkomen en is het gevolg van het feit dat wij als volwassenen/ouders “laaggeschoolde” arbeid onvoldoende waarderen. Welk signaal geven wij onze jongeren die als volwaardig lid van onze samenleving, ieder op z’n eigen niveau, een essentiële bijdrage leveren aan onze huidige en toekomstige samenleving.

      Scholing in welke vorm dan ook is geen doel op zich maar een noodzakelijk middel om te kunnen doen wat je graag doet en te bereiken wat je graag bereiken wil. Leren wordt zo weer aangenaam en zinvol en kan bijdragen tot meer waardering voor ieders aandeel in onze samenleving. Geef jongeren eerst de kans en gelegenheid om te ontdekken wat ze leuk vinden en waar ze goed in zijn en bied ze vervolgens de juiste omstandigheden, gereedschappen en waardering om te worden wie ze zijn.

Reageren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *