Hertentamen

Wat zou Socrates gedacht hebben als hij mij vandaag zo bezig ziet?

De vraag dringt zich onstuitbaar op. Ik ben meerkeuzevragen aan het bedenken voor het hertentamen Wijsgerige en historische pedagogiek. In april hebben 260 pedagogiekstudenten vijftien hoorcolleges beluisterd, waarvan ik er vijf verzorgde. Over de stof die ik daar besprak, moet ik nu twintig vragen bedenken voor de 123 studenten die het eerste tentamen niet hebben gehaald. Deze vragen moeten eenzelfde moeilijkheidsgraad hebben als de twintig die bij dat eerste tentamen gebruikt werden. Ze moeten ook op een toetsmatrix gebaseerd zijn, zodat ik kan bewaken dat de vragen op een nette manier de leerdoelen van de cursus dekken. Op deze manier kan ik ervoor in staan dat de studenten die straks een voldoende krijgen de leerdoelen ook inderdaad in voldoende mate hebben behaald.

Wat ik vandaag doe, is onderwijs verzorgen. Het is een enorme klus. Met de constructie van een acceptabele meerkeuzevraag ben ik toch al gauw twintig à dertig minuten bezig. Dit hertentamen kost me dus een hele dag.

Het is verantwoordelijk werk. Toetsen is een vorm van feedback die we tegenwoordig van cruciaal belang vinden. Het is een vorm waarin ik niet gewoon als leermeester zo geïnspireerd mogelijk reageer op het spontane werk van een leerling of gezel, maar een vorm waarin mijn reactie geborgd is (zoals de onderwijskundigen mij hebben leren zeggen) – geborgd in een geïnstitutionaliseerd kader van normen waardoor iedereen overal ter wereld inzicht heeft in de kennis en de vaardigheden van een student die voor dit hertentamen een voldoende heeft gehaald. Een toets hoopt een contextvrij en objectief oordeel te kunnen vellen over de kwaliteit van deelnemende studenten.

(Och, arme ik, dat ik uiteindelijk terecht gekomen ben in een instituut dat er zo’n ideologie op na houdt…)

Ik geef mijn studenten als feedback geen verontrustende maar leerzame vraag mee die nog lang in hun geest blijft nagalmen, maar ze krijgen van mij een cijfer dat 4 EC (European Credits) waard is. Ze hebben weer iets geleerd.

Ik zie geen studenten. Ik werk thuis, vandaag. Ik moet niet afgeleid worden. Ik tuur naar een computerscherm en beweeg mijn vingers over het toetsenbord. Voor een goede meerkeuzevraag hoef ik geen studenten te zien. Die zie ik straks ook bij het hertentamen trouwens niet. Daar zijn surveillanten, die de antwoordformulieren innemen, waarna ITS Evaluatieservice de data verwerkt en ik de uitslag krijg toegezonden, compleet met een statistische item-analyse.

In zo’n toetscyclus zie ik alleen sommige studenten bij de inzage, waarbij ze inmiddels wel weten dat ze niet moeten proberen te zeuren om een puntje extra, maar beleefd proberen hun voordeel op te doen met de uitleg die ik ze geef over waarom het goede antwoord goed is, en de afleider die zij gekozen hebben fout. Dat moet allemaal in helder zwart-wit kunnen. En daarom heb ik het nu ook zo moeilijk met het bedenken van goede meerkeuzevragen. De afleiders moeten intrigerend en verleidelijk zijn. Maar wel fout.

En omdat dat heldere zwart-wit zo godsgruwelijk frustrerend is, moet ik aan Socrates denken, verzaak ik mijn taak, en mijmer hier – een stuk gelukkiger – wat voor me uit in dit blogbericht.

Socrates zou heel goed snappen wat ik aan het doen ben, althans wat ik probeer te doen, althans wat het geïnstitutionaliseerde onderwijs mij meent te moeten laten doen. Hij zou alleen niet snappen waarom ik het doe. Hij zou vragen stellen, vooral veel vragen. En hij zou mij achter laten met het besef dat ik niet begrijp waarom ik het doe, dat wij niet begrijpen waarom wij dit doen, dat wij niet begrijpen waarom wij zo verschrikkelijk veel studenten zo verschrikkelijk snel een zo geformaliseerd parcours zouden proberen te laten afleggen. En hij zou mij vooral laten twijfelen over wat ik bedoel, wat wij zouden kunnen bedoelen, als we zo’n parcours een leerproces noemen.

(Ik moet nog zestien vragen… Sorry, gauw door!)