Het allerergste gebeurt nooit

Jaren geleden had ik een poster op mijn kamer hangen die ik, als ik het me goed herinner, gekregen had van Filosofie Magazine. Het was een grote kop van Schopenhauer die je scherp aankeek en boven zijn hoofd stond “Het allerergste moet nog komen”. Ik heb er met veel plezier naar gekeken, vooral omdat de gelaatsuitdrukking van Schopenhauer iets ondoorgrondelijks had en van emotie leek te kunnen veranderen. Er zat een beetje leepheid in, iets guitigs haast, en daarnaast een grote scherpzinnigheid, en iets overtuigends. Zie je nu wel. Ik zei het toch. Zoiets.
Heel zelden zag ik iets sombers, een berustende gelatenheid. Hoewel, gelatenheid was het goede woord niet. Er zat iets opstandigs en verontwaardigds in. Geen bitterheid. Vooral scherpzinnigheid. De manier waarop hij gelijk had, of ongecompliceerd meende dat hij gelijk had, en dat het allerergste inderdaad nog komen moest, was er een van grote kracht en standvastigheid.
Juist daar heb ik altijd een sterk optimisme in gezien. Want laten we wel wezen: aan het eind ga je gewoon dood en zal al je geploeter gewoon water onder de brug geweest zijn. Oftewel, natuurlijk, het allerergste komt nog. Maar dat betekent precies ook dat het er nu nog niet is. En als je er in slaagt om in het nu te leven – nu – dan maak je het allerergste dus nooit mee. Want dat moet nog komen.
Zo vergenoegd zelfverzekerd kijkt Schopenhauer je overigens niet aan. En ook de bedenkers en de makers van de poster zullen niet dit idee gehad hebben toen ze de poster bedachten en maakten. En ik had dat idee ook niet toen ik besloot hem inderdaad op te hangen. Dat ironische inzicht kwam later pas, langzaam, doordat ik al die dagen – waren het jaren? – naar Schopenhauer en zijn woorden keek, en er iets opbeurends in onderkende.
Wat is optimisme dan? En waarom is het zo’n mooie en krachtige karaktertrek? Daarvoor moet je ten eerste beseffen dat optimisme niet te maken heeft met een naïef vooruitgangsgeloof, met het idee dat het altijd beter zal gaan en zal blijven gaan. Die rechtlijnige, lineaire, progressieve vooruitgang is niets voor een optimist. Optimisme, heeft “optimum” als kern, en als je dat goed tot je laat doordringen dan besef je dat er altijd een zwarte ondertoon is, dat het naar twee kanten toe slechter kan gaan, en dat het optimum het hoogst haalbare evenwicht is tussen het ene slechte en het andere slechte. Om een, ietwat onbenullig, persoonlijk voorbeeld te geven: mijn haar zit maar een paar dagen optimaal, omdat ik het eerst te kort laat knippen (alternatief: te vaak naar de kapper) en omdat het daarna niet meer in model wil zitten (alternatief: te vaak naar de kapper).
Daar hoef je niet somber van te worden, van al die narigheid waar je je tussen bevindt, omdat je je blik altijd kunt afwenden van de neergang, van een beweging die over zijn optimum heen is en kunt vestigen op een vooruitgang elders, een beweging die nog naar zijn optimum onderweg is. (Vergeet dat haar; denk liever aan dat etentje, morgen.) Optimisme is een kwestie van flexibiliteit van geest.
Dat is wat ik soms in die haast guitige, ietwat lepe blik van Schopenhauer zie. Natuurlijk, het ergste moet nog komen. Maar het is er nog niet, en in plaats van te gaan zitten somberen, de blik stevig gevestigd op dat allerergste dat in aantocht is, kun je je blik ook vestigen op een kleine meevaller die zich ongevraagd aandient. Een poster, bijvoorbeeld, die je zomaar cadeau krijgt en die je een mooi plekje zou kunnen geven aan de muur boven je bureau. Een poster met een optimistische boodschap, voor wie de tijd heeft.
En denk nu niet dat dit struisvogelpolitiek is. Want het allerergste gebeurt niet. Dat moet nog komen. Altijd.