4 maart: Goed onderwijs met perspectief op de toekomst

Hogeschool Windesheim organiseert een Onderwijsdebat over de toekomst van ons onderwijs. Ze hebben mij gevraagd of ik in het panel wil zitten dat samen met de zaal onder leiding van Ruud Veltenaar in gesprek gaat.

Mijn boodschap is vermoedelijk niet zo heel verrassend, maar ik zal wel specifieke agenten leggen. Onderwijs, d.w.z. educatieve omgang, is voor mij de kern van ons menselijk bestaan. Aan onderwijs komt daarom nooit een einde en moet dan ook niet specifiek gericht zijn op wat de leerling na het onderwijs met het geleerde zal kunnen. Het onderwijs moet de scheiding tussen leren en leven doorbreken, een scheiding die op dit moment echter juist aangemoedigd en versterkt wordt doordat we onderwijs in scholen hebben georganiseerd. Dat betekent vooral dat het onderwijs ervoor moet zorgen dat leerlingen van leren blijven houden.

Onderwijsmensen vertellen dit vaak op twee manieren: (1) jongeren moeten leren leren; (2) jongeren moeten metacognitieve vaardigheden ontwikkelen. Voor mij hoeft het niet zo ingewikkeld: jonge kinderen houden doorgaans evenveel van het leven als van het leren. Het onderwijs hoeft er alleen maar voor te zorgen dat dit zo blijft: dat leerlingen geen hekel aan leren krijgen en al helemaal geen hekel aan het leven.